| |||
|
Nieuws Auteur |
Juryverslag van DE GOUDEN ZOEN voor De Roos en het ZwijnAnne Provoost Em. Querido's Uitgeverij De Roos en het Zwijn is gebaseerd op het sprookje De Schone en het Beest, voor het eerst opgetekend door de Italiaan Gianfresco Straparola (eerste helft zestiende eeuw). Tegenwoordig zullen de meesten de love-story kennen via de Walt Disney-versie, The Beauty and the Beast. ‘Gebaseerd op' lijkt inderdaad een gepaste formulering, want Provoost heeft er haar onvervreemdbaar eigen verhaal van gemaakt, geen simpele bewerking. Startpunt vormde de psychologische kern van het sprookje, de ontwikkeling van de hoofdpersoon Rosalena, van meisje tot volwassen vrouw. In Provoosts eigen woorden, "een verhaal over hoe jonge vrouwen eerst afstand doen van de vaderfiguur in hun leven om seksueel volwassen te kunnen worden". Geen ouderwets sprookje dus, maar op een bepaalde manier toch ook weer wel. Niet te ontkennen valt immers dat bekende en minder bekende sprookjesmotieven mee resoneren in het verhaal. Sprookjesachtig zijn de twee zussen, die net als in Assepoester het jongste zusje om haar schoonheid benijden; Rosalena's uiterlijk roept reminiscenties op aan Sneeuwwitjes rode lippen, haar sneeuwwitte huid en ook de spiegel - al krijgt die hier een andere functie toebedeeld - bezit bijzondere krachten. Ook de elfen, de engelen, de bosgeesten, de wandkobolden, de bosnimfen (zijn deze werkelijkheid of ontsproten aan Rosalena's verbeelding?) geven het verhaal een onmiskenbaar sprookjesachtige allure. En toch is het verhaal veel meer (geworden) dan een (ouderwets) sprookje. Het bezit een grotere psychologische diepgang. Rosalena gaat immers gebukt onder een immens schuldgevoel. Als ondraaglijk ervaart ze haar schoonheid, ze acht zich schuldig aan de dood van Zoran, het wrattenzwijn (het eerste Beest), gestorven op het moment dat de nachtelijke bezoeken van de "dubbelminnaar" (het tweede Beest) begonnen. Schuldig voelt ze zich ook tegenover haar twee zussen: de "tweeling" die ze baart, ziet ze als een afspiegeling van het feit dat zij het leven van de zussen leidt. Diezelfde tweeling symboliseert óók de verscheurdheid van haar eigen leven, heen en weer geslingerd als ze wordt tussen de liefde voor haar vader en Thybeert (het derde Beest). Steeds is er weer het verlangen naar de plaats, waar de ander zich bevindt: "Mijn bestaan is een oefening in het verdwijnen." De (symbolische) betekenis van de roos (en het zwijn) reikt in Provoosts middeleeuwse sprookje ook verder dan in het origineel. Net als het wrattenzwijn is de rozenstruik een geschenk van haar vader. Zo is de vader verbonden met het belangrijkste in haar leven: de roos en het zwijn, symbolen van de ultieme schoonheid en de absolute lelijkheid, welke elementen we op geraffineerde wijze terugvinden in Thybeert, als eigenaar van de witte roos én als verpersoonlijking van het lelijke. De roos (Rosalena!) symboliseert evenwel niet alleen de Schoonheid, maar verwijst tegelijkertijd naar de vergankelijkheid van diezelfde schoonheid. In tegenstelling tot Straparola's sprookje verandert Provoosts Beest - Thybeert - tenslotte niet in een aantrekkelijke prins. Een dergelijk happy-end zou de realiteit van Provoosts verhaal geweld hebben aangedaan. Thybeert heeft weinig trekken van het Beest uit de oerversie, integendeel zelfs, gegeven zijn eruditie: "Onze gesprekken waren kristallen die schitterden in de duistere kelder van mijn afzondering. Hij sprak me over waarheid en waanzin, sterren, stilte en strengheid." Geen sprake is er ook van de simpele moraal (als in het origineel) dat innerlijke schoonheid belangrijker is dan een fraai uiterlijk. De Roos en het Zwijn gaat over zin en onzin van boetedoening, over liefde, lust en erotiek, over de vergankelijkheid van schoonheid. Grote waardering heeft de jury voor deze (impliciete, want opgenomen in het verhaal) filosofische aspecten van De Roos en het Zwijn. En dit alles in een taal die naadloos aansluit bij aard en inhoud van het geheel. Provoost heeft gekozen voor een ietwat gedragen zinsbouw en woordkeus, in overeenstemming met het sprookjesachtige karakter en de historische inhoud van het verhaal. Haar taalgebruik is van een grote plastische beeldenrijkdom, waardoor ook op talig niveau de thematiek (schoonheid versus lelijkheid) gestalte krijgt. Compositie, psychologische diepgang, beeldenrijkdom, taal, suggestieve stijl, en de filosofische inslag tillen Provoosts sprookje ver uit boven het eendimensionale niveau van de oorspronkelijke versie. Een verhaal voor jongere én oudere lezers met vele interpretatiemogelijkheden - veel meer dan in dit juryrapport zelfs maar aangestipt kunnen worden -, dat de Gouden Zoen 1998 ten volle verdient. Hoofdpagina's: ZonKijken | Arkvaarders | Roos&zwijn | Vallen | Grindewal | Springdag | Beminde Ongelovigen |
||