Verschenen in Wilfried Nr. 21 / Winter 2023
Interview: Sophie Mignon
Foto's: Carmen De Vos
Vertaling Google Translate
Waarom leef je omringd door planten, in de kleine jungle van je keuken?
Dat was al langer een kleine kwaal van me, maar na corona is het helemaal geëscaleerd. Planten hebben is voor mij essentieel. Ik meen ergens gelezen te hebben dat het menselijk brein zich prettig voelt bij de kleine "v'tjes" die takken vormen. Dat is een ritme dat niet echt ritmisch is: iets herhaalt zich voortdurend, maar telkens in een ander patroon. Daarom houden we bijvoorbeeld zo van Amsterdam of Parijs: de huizen lijken bijna allemaal op elkaar, maar toch zijn ze allemaal anders. Dat voelt natuurlijk aan. Het stelt ons brein gerust, want dat houdt niet van iets wat volledig identiek en uniform is – dat is militaristisch – maar ook niet van iets wat té verschillend is – dat is België. Het is een kwestie van harmonie, van evenwicht. Het geeft ons de boodschap: "De natuur doet wat ze moet doen, er is geen ramp." Dat kalmeert ons, en dat had ik tijdens de pandemie hard nodig.
Waarom? Was je erg gestrest, erg ongerust?
Als schrijfster heb ik veel verbeelding. In mijn familie ben ik een echte Cassandra. Ik ben ervan overtuigd dat ik de toekomst ken. Dat is het Cassandra-complex: zij kreeg van de goden de gave om de toekomst te voorspellen, maar tegelijk de vloek dat niemand haar geloofde.
In het Nederlands bestaat een prachtig woord: doemdenken. Dat is zelfs een werkwoord dat je kunt vervoegen: ik doemdenk, jij doemdenkt... Het laat zich moeilijk vertalen in het Frans. Dat is nu juist de schoonheid van het Nederlands: je kunt woorden aan elkaar plakken.
Doem, dat is de ondergang, het Laatste Oordeel.
Ja. Het betekent dat je de toekomst altijd op een catastrofale manier bekijkt. Aan het begin van corona zag ik alle mogelijke vertakkingen van de pandemie. Daar was ik voortdurend mee bezig. Ik las alles wat ik erover kon vinden. Ik wilde absoluut begrijpen hoe zo'n virus zich vermenigvuldigt, op welk moment je de controle verliest.
Mijn kinderen en mijn man zeiden dan: "Luister, als dat allemaal waar was, dan was de mensheid tijdens de pest al uitgestorven. Er moeten mechanismen bestaan die dat draaiende wiel uiteindelijk afremmen."
Ik ben nooit pessimistisch, maar ik heb veel verbeelding en zie dingen zich voor mijn ogen ontwikkelen, heel praktisch.
Als er een hittegolf en droogte aankomen, zie ik mezelf letterlijk emmers nemen, uitzoeken waar de regenwaterput is, vaten voorzien met goed afsluitende deksels zodat er geen kostbaar water verloren gaat, mijn bakfiets klaarzetten, de bidons zo schikken dat het gewicht goed verdeeld is... En dan dóé ik dat ook.
De mensen rondom mij zeggen dat zij daar niet aan denken en dat ze het wel zullen oplossen wanneer het zover is.
Is dat voor jou een overlevingstechniek?
Ja, dat denk ik wel. In het Nederlands zeggen we bezweren. Er zit een soort bijgeloof in dat slechte dingen alleen gebeuren met mensen die zich niet voorbereiden, en dat ze jou niet zullen overkomen als je ze verwacht.
Het noodlot bezweren dus. Ben je dan bijgelovig?
Nee, helemaal niet. Ik weet wat mijn brein doet. Het zijn overlevingsmechanismen, coping mechanisms.
Hetzelfde geldt voor literatuur of voor mensen die in God geloven. Ons brein heeft zulke mechanismen nodig om overeind te blijven in een wereld waarvan we de uitgang niet zien.
Vroeger zagen we die uitgang niet omdat er ziekten waren waar artsen niets tegen konden beginnen, oorlogen, zoveel dingen waarover we geen controle hadden.
Vandaag kunnen we veel controleren, maar er zijn nieuwe fenomenen waarop we geen vat hebben: pandemieën, droogtes, rampen die we nog niet eens kennen maar waarvan we weten dat ze zullen komen, hongersnoden, inflatie, marktverstoringen, tekorten...
Ze komen eraan. Dat weten we.
Dat zal bijzonder ontwrichtend zijn.
Daarom hebben we copingmechanismen nodig. Anders glijden we af in een depressie, en dat is precies het enige wat we ons niet kunnen veroorloven, want dan zijn we verloren.
Ik zeg niet dat je niet mag wanhopen. Dat is iets anders.
Mag je wanhopen?
Ja. Ik vind wanhoop een heel menselijke emotie. Ze verbieden zou dogmatisch zijn.
Ja, ik wanhoop, en ik weet dat ook. Maar ik kijk naar mijn wanhoop en zeg tegen mezelf: "Goed. Ik heb twee dagen gewanhoopt. Dat is genoeg. Nu herpak ik me."
Ik herpak me.
Bestaat dat niet in het Frans?
Nee, maar het zou moeten bestaan. Het is een prachtig beeld.
Ja. Frans is een heel abstracte taal. Soms lees ik mijn eigen teksten in het Frans en denk ik: zo schrijf ik toch helemaal niet? Maar wanneer ik ze terug naar het Nederlands vertaal, merk ik dat de betekenis wel klopt. Alleen herken ik mijn woorden niet meer. Het Frans staat zo ver af van het concrete. Het is niet tastbaar. Je kunt het niet vastpakken; het is immaterieel.
Slechts enkele van je boeken hebben de taalgrens overgestoken, terwijl er veel de Atlantische Oceaan zijn overgestoken. Hoe verklaar je dat?
Ik denk dat we gevangen zitten in onze taal, zeker met het bijkomende probleem van de vertaling. Er bestaan eigenlijk geen schrijvers die echt Belgisch zijn, in die zin dat ze zowel in het noorden als in het zuiden even bekend zijn. Ik denk dat het gemakkelijker is om een Belgische politicus, zanger of sporter te zijn dan een Belgische schrijver. Politiek, muziek en sport spreken mensen rechtstreeks aan. Literatuur moet een veel grotere omweg maken.
Hoe is het schrijven in je leven gekomen?
O, dat is een oud verhaal. Ik wil de mensen daar niet mee vervelen.
Ik heb gelezen dat je vier jaar oud was en verhalen dicteerde aan je moeder. Klopt dat?
Ja, ja...
En hoe behoud je dat tot op volwassen leeftijd? Heel veel kinderen verzinnen liedjes, verhalen of gedichten. Hoe komt het dat jij daar nooit mee bent gestopt?
Dat is onverklaarbaar. We begrijpen ons eigen brein niet zo goed. We weten niet waarom we bepaalde dingen doen.
Ik kan verhalen verzinnen – en dat doe ik voortdurend – en ik merk dat het manieren zijn om mijn leven te ordenen. De waarheid is gewoon dat je het blijft doen, dat je er plezier aan beleeft. Ik begrijp eigenlijk niet hoe iemand anders zou kunnen leven.
Voel je je anders dan andere mensen?
Nee. Iedereen doet dat.
Alleen zet jij de volgende stap. Jij schrijft het ook werkelijk op.
Niet alleen moet je die neiging hebben, je moet ook het gevoel hebben dat je over taal beschikt, dat je je gedachten in woorden kunt omzetten. Heel veel mensen haken daar af, omdat ze niet geloven dat ze dat kunnen.
Ik zie nochtans mensen die denken dat ze niet kunnen schrijven, maar het toch doen. En het lucht hen op. Het maakt hen groter dan het leven.
Het is arrogant te denken dat alleen mensen die goed kunnen schrijven ook mógen schrijven.
Ach, dat Frans toch... In het Nederlands kun je het onderscheid maken tussen kunnen en mogen schrijven.
Het is geen kwestie van talent, maar van overtuiging.
Waar heb jij die overtuiging vandaan?
Ik kom uit een gezin vol kansen. Een heel stabiel, liefdevol gezin, zonder grote problemen of moeilijkheden. Dat is niets waarop ik me kan laten voorstaan. Het is toeval, een geschenk van het leven.
Mijn ouders stimuleerden ons. Ze vonden het interessant dat ik schreef en belangrijk dat er boeken in huis waren.
Mijn moeder gaf les, terwijl de meeste moeders in die tijd huisvrouw waren. Ze was eigenlijk feministisch avant la lettre. Ze vond het belangrijk dat haar drie dochters – en ook haar zoon – kansen kregen: naar het zwembad gaan, naar de academie, muziek leren, tekenen...
Komt jouw engagement, je maatschappelijk betrokken zijn, voort uit die opvoeding? Is dat daar ontstaan, het idee dat je invloed kunt uitoefenen op de wereld om je heen?
Ja, ik denk dat het thuis begonnen is. Maar je weet nooit precies waar zoiets vandaan komt.
Voor mij hoort daar nog een woord bij: privilege.
Ik denk vaak: noblesse oblige.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden mijn grootouders gered door zeer rijke mensen. In die tijd betekende rijkdom letterlijk dat je geld had. Er bestond nog geen sociale zekerheid. Daarom rustte de verantwoordelijkheid op de adel.
Vandaag zijn er mensen die rijk zijn. Maar rijkdom betekent nu iets anders dan toen.
Rijk zijn is een dak boven je hoofd hebben. Geen kou lijden. Genoeg te eten hebben. Tijd hebben. Vrij kunnen denken, zonder dat je voortdurend wordt belast door zorgen.
Ik heb geen ouders die volledig van mij afhankelijk zijn. Geen zus met een handicap voor wie ik later zal moeten zorgen. Geen broer met wie ik voortdurend ruzie heb. Geen ex-partner voor wie ik bang moet zijn.
Mensen die over die rijkdom beschikken, die hen onderscheidt van hun buren, dragen ook een grotere verantwoordelijkheid.
Iedereen draagt verantwoordelijkheid. Maar zij nog iets meer.
Voel jij die verantwoordelijkheid?
Ja.
Ik voel die verantwoordelijkheid.
Het is een heel kwetsbaar evenwicht, want je vindt altijd wel redenen waarom jij niet tot die groep van noblesse oblige zou behoren.
Wanneer ik lezingen geef, zeg ik soms tegen het publiek:
"Jullie zijn het."
"Jullie hebben vanavond de tijd om hier te zijn. Jullie geest is vrij genoeg om een ticket te kopen en hier te zitten. Anders waren jullie hier niet. Dus jullie dragen ook verantwoordelijkheid."
Beantwoord je die verantwoordelijkheid door te schrijven?
Ja.
Schrijven is altijd een daad van communicatie.
Voor je begint te schrijven kun je van twee veronderstellingen uitgaan.
De eerste is dat er iets in jezelf zit dat eruit moet.
Ik heb net de dichtbundel Krop geschreven. Dat is letterlijk iets dat eruit moet, anders kun je niet meer spreken.
Maar voor literatuur in het algemeen vind ik dat niet voldoende.
Als ik een manuscript zou schrijven om het vervolgens in een fles te stoppen en in zee te gooien, zonder enige zekerheid dat iemand het ooit zou vinden of lezen, dan zou ik liever iets anders doen.
Want schrijven kost te veel inspanning.
Ik praat dan liever alleen in mijn hoofd.
Ik heb duizenden boeken in mijn hoofd geschreven. Dat gaat snel en moeiteloos.
Maar écht schrijven vraagt kracht, uithouding en zweet.
Ik moet het gevoel hebben dat er aan de andere kant van de lijn iemand aanwezig is.
Dat is voor mij de tweede voorwaarde van literatuur:
communicatie.
Waarover wil je communiceren?
Over de dingen die ik interessant vind. Dat is de kern.
Ik schrijf het verhaal dat ik zelf zou willen lezen.
Dat vraagt vertrouwen. Je zegt eigenlijk: "Ik vond dit interessant. Dus zal het misschien ook voor anderen interessant zijn."
Dat is de grote sprong die je maakt wanneer je schrijver wordt.
Pas wanneer mensen je lezen, ontdek je wat voor anderen interessant blijkt te zijn. Dat verschilt van persoon tot persoon, maar ook van tijd tot tijd.
Zo las aan het begin van de pandemie ineens iedereen De pest van Albert Camus. Zelf heb ik toen De Toverberg van Thomas Mann gelezen.
Wat brengt het schrijven jou?
Het is het mooiste middel dat er bestaat om jezelf te emanciperen.
Daarom vind ik dat schrijven voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk moet zijn.
We leven in een goede tijd. We geloven niet langer in het genie van de schrijver als een uitzonderlijk wezen. Dat vind ik een mooie ontwikkeling.
Er schrijven vandaag veel meer mensen. Dat zorgt voor meer diversiteit.
Voor gevestigde auteurs is dat natuurlijk minder prettig, omdat de concurrentie groter wordt. Sommige, eerder conservatieve schrijvers zijn tegen zelfpublicatie. Zij willen de poortwachters van de literatuur – uitgevers, critici enzovoort – behouden.
Maar ik ben geen elitair mens.
Iedereen is schrijver.
Ik vind zelfpublicatie geweldig.
De literatuur wordt daardoor democratischer.
Welk contract sluit je met je lezer? Welke belofte doe je wanneer je schrijft?
Dat het niet waar is.
Voor mij is dat het mooiste contract dat mensen ooit met elkaar hebben gesloten.
Het blijft ongelooflijk dat wij ons verhalen laten vertellen terwijl we vooraf afspreken: "Dit is niet echt gebeurd."
Dieren zouden dat niet kunnen.
Wij doen dat al zolang de mens bestaat.
Zelfs in de oudste culturen kwam er soms een verhalenverteller uit een ander dorp die op het dorpsplein vertelde over goden, helden, de Bijbel, al die verhalen.
Mensen hebben dat contract niet altijd goed begrepen. Ze dachten soms dat het echt gebeurd was, al bleven ze ook wantrouwig.
Vandaag zijn we geëvolueerd. We begrijpen dat fictie een afspraak is waar iedereen vrijwillig aan deelneemt.
Waarom doen we dat eigenlijk? Waarom vertellen we elkaar verhalen?
Omdat het plezier geeft een kunstwerk te zien dat uitdrukt wat jij zelf zou willen uitdrukken, maar niet kunt tekenen of schrijven.
Wij zijn sociale dieren.
We willen delen.
We willen de ander begrijpen.
We willen zijn psychologie begrijpen. Dat verlangen bestaat al zolang de mens bestaat, zelfs vóór we het woord psychologie hadden.
We zijn sociale wezens geworden omdat we afhankelijk zijn van elkaar.
Een vlieg zou waarschijnlijk weinig belangstelling hebben voor de psychologie van een andere vlieg. Het interesseert haar niet wat die andere vlieg gaat doen, want ze hangt nauwelijks van haar af – behalve misschien één keer, wanneer ze bevrucht moet worden.
Wij vertellen verhalen om beter te begrijpen hoe mensen zijn en waarom ze zijn zoals ze zijn.
Je schrijft momenteel een boek over de Kinderen van de IJzer. Een roman gebaseerd op historische feiten. Wie is je grootmoeder in dat verhaal?
Zij is een kind dat door de oorlog haar ouders moet verlaten en vier jaar lang in een pensionaat terechtkomt, zonder één enkele vakantie en met slechts één bezoek van haar zus.
Tussen de elf- en eenentwintigduizend kinderen hebben destijds hetzelfde meegemaakt.
Ze werden naar het buitenland gebracht, weg uit dat kleine stukje België dat niet door de Duitsers was bezet, waar ze voortdurend onder de beschietingen leefden en bovendien gevaar liepen aan tyfus te sterven, omdat de soldaten vanuit de loopgraven – waar alles vol uitwerpselen lag – terugkeerden naar de boerderijen.
Kinderen stierven er als vliegen.
De volwassenen konden niet vertrekken.
Mijn overgrootouders bezaten alleen hun grond. Als zij die hadden achtergelaten, was de hele familie verhongerd.
De Belgische regering wilde absoluut dat de vluchtelingen de grens overstaken.
Maar op bepaalde momenten sloot Frankrijk de grens, omdat het zelf al zoveel vluchtelingen had: die zogenaamde "onnuttige monden" die men niet kon voeden.
En dan waren er natuurlijk ook nog de Belgische vluchtelingen, niet alleen uit de Westhoek, maar uit het hele land.
Er bevonden zich bijna een miljoen mensen in die streek.
Dit is het boek waaraan je het langst hebt gewerkt. Wat doet het met je om tien jaar lang door zo'n verhaal vergezeld te worden?
Dat is eigenlijk niet goed...
Nee. Waarom vraagt juist dit boek zoveel tijd?
Omdat het een waargebeurd verhaal is.
Ik ben eraan begonnen terwijl ik nog met een ander boek bezig was.
Ik verstijfde van de twijfel.
Ik heb verschillende versies geschreven en weer weggegooid.
Aanvankelijk dacht ik dat het een novelle van een negentigtal bladzijden zou worden.
Later begon ik dia-avonden te organiseren met foto's van onze familie uit de Westhoek.
En toen begonnen mensen die dachten dat ze zich niets meer herinnerden, zich ineens wél dingen te herinneren.
We hebben een geheugen.
Maar we hebben ook een herinnerd geheugen.
Ik heb de dagboeken gevonden van de zusters die samen met mijn grootmoeder vertrokken waren, en daarmee ben ik beginnen reconstrueren.
Ook al is mijn grootmoeder er niet meer om mij te vertellen dat ze die dag door de straten van Parijs heeft gewandeld, toch kan ik zeggen dat ze dat gedaan heeft, omdat het in de dagboeken staat.
Ik ben romanschrijver. Ik schrijf fictie.
Ook al kan ik het niet bewijzen, voor mij is het waar.
En zo werk ik op alle niveaus.
Als ik lees dat zeventig kinderen de Spaanse griep kregen, dan kan ik schrijven dat mijn grootmoeder niet ziek werd. Maar ik kan evengoed een scène construeren waarin ze wél de Spaanse griep krijgt.
Ik ben vrij.
Want wat ik doe, is extrapoleren.
Door die extrapolatie ben ik opnieuw de families binnengegaan. Ik vertelde mijn verhaal en daardoor begonnen mensen zich dingen te herinneren.
Ze zeiden bijvoorbeeld:
"Daarom sprak mijn grootmoeder zo goed Frans."
Of:
"Daarom kon ze de geur van rood, van eosine, niet verdragen."
Zo ontdekte ik dat de zusters, uit angst dat besmettelijke ziekten zich op school zouden verspreiden, eosine door de rijst mengden, omdat ze dachten dat dit de ingewanden zou ontsmetten. Ze dwongen de kinderen die rijst op te eten.
Daardoor zit mijn boek vol details die je onmogelijk zelf kunt verzinnen.
Ik heb allerlei vertelstandpunten geprobeerd: ik-vorm, zij-vorm, hij-vorm, verschillende families, tegenwoordige tijd, verleden tijd...
Nu heb ik duizend pagina's.
Het is een ramp.
Het is veel te veel.
Wat kan zo'n roman toevoegen aan wat een geschiedenisboek vertelt?
Ik heb eigenlijk geen keuze.
Ik ben geen historica.
Wat mij roept, is fictie.
En fictie biedt iets wat minder cognitief en meer emotioneel is.
Het is alsof je er zelf bij bent.
De emotie krijgt voorrang op de rede.
Ik schrijf voor de nakomelingen van de Kinderen van de IJzer.
Dat zijn, laten we zeggen, zo'n vijftigduizend mensen in de Westhoek.
Ik ken die mensen, want ik kom zelf uit die streek.
En ik weet dat ze het niet verdragen wanneer je er een schep bovenop doet.
Ik moet dus zo schrijven dat zij niet het gevoel krijgen dat dit verhaal geschreven is door een hoogst verfijnde vrouw ergens in de stad Antwerpen.
Ik moet heel droog blijven.
Ik mag helemaal niet lyrisch worden.
Hoe kijk je vanuit hier naar het zuiden van het land?
Mijn vader en zijn ouders hebben in de buurt van Ecaussinnes gewoond.
Zijn jongere broer is in Wallonië gebleven; hij woonde in de provincie Luxemburg.
Ik heb dus altijd Waalse ooms en tantes gehad, zowel in Ecaussinnes als in Paliseul, in de Ardennen.
Wallonië was altijd een wijk van onze familie.
Toen we jong waren, voerden de Vlaamse en Waalse neefjes en nichtjes natuurlijk oorlog met elkaar.
De enige woorden die we kenden waren "Vuile Vlamingen" en "Vuile Walen".
Maar we wisten altijd dat het niet ernstig was.
Het was een spel.
Toen we ouder werden, begonnen we elkaar te begrijpen.
De Waalse kinderen verstonden heel goed Nederlands, omdat hun ouders het thuis spraken, maar ze wilden of durfden het zelf niet spreken.
En wij, Vlamingen, ontdekten dat het eigenlijk heel gemakkelijk was om Frans met hen te spreken.
We vonden manieren om elkaar tegemoet te komen.
Heel bescheiden misschien, maar we deden het.
Nu we volwassen zijn en elkaar jammer genoeg vooral terugzien wanneer iemand gestorven is, zijn we veel nieuwsgieriger naar elkaar geworden.
We beseffen dat we iets gemist hebben.
We leefden in verschillende werelden.
Dat is nu veranderd in een soort spijt.
Waarom zijn we opgegroeid in een wereld waarin men ons leerde een grens te trekken?
De mentaliteit is precies dezelfde.
We begrijpen elkaar ontzettend goed.
We voelen dat we samen Belgen zijn.
Mijn andere band met het zuiden, waardoor ik telkens in paniek raak wanneer iemand het land wil splitsen, zijn de Ardennen.
Ik vind dat we in België niets kostbaarders hebben.
Ik denk dat veel mensen zich dat tijdens de coronaperiode opnieuw gerealiseerd hebben.
Zelfs wanneer je steden als Luik of Namen bezoekt, voel je je als een reiziger.
Het is exotisch.
Toen ik daarnet zei dat chaos soms te veel is voor ons brein, zie je dat ook in die steden.
Ik zeg dat zonder enige trots.
En ik denk niet dat het prettig is voor de mensen die er wonen.
Ik zou graag zien dat al die prachtige negentiende-eeuwse huizen werden gerestaureerd zoals dat hier gebeurt.
Toen ik zelf in Borgerhout kwam wonen, zag het er overigens net zo uit.
Leegstaande huizen.
Ramen dichtgetimmerd met houten platen.
Ik heb heel wat vrienden die daar vandaag graag een huis willen kopen omdat het er goedkoper is.
Ik beweer niet dat de georganiseerde kant de betere is.
Juist het feit dat je tussen die twee werelden kunt bewegen, vind ik waardevol.
Dat is een rijkdom.
Het is jammer voor de Walen dat zij materieel minder hebben dan wij.
Dat zie je.
De mensen zijn gemiddeld minder welgesteld.
Voor mij is het belangrijk dat te zien, omdat het ons helpt na te denken over een rechtvaardiger solidariteit tussen medeburgers.
Mijn man en ik geloven heel sterk in een samenleving die op solidariteit is gebaseerd.
Noblesse oblige, alweer... Begrijp je separatisten dan helemaal niet?
Voor mij is dat volkomen onmogelijk.
Het is wel erg gemakkelijk te denken dat je problemen die we altijd zullen hebben, kunt oplossen door een land in tweeën te splitsen.
Vandaag is samenwerking het allerbelangrijkste.
Ook met de unusual suspects, met de mensen van wie men zegt dat ze niet onze natuurlijke bondgenoten zijn.
Dat is volgens mij de les voor de toekomst.
We zullen platforms moeten creëren waarop we kunnen samenwerken met mensen met wie we het oneens zijn, die we niet sympathiek vinden, misschien zelfs mensen die we haten.
Stel je voor dat je kleinkinderen je later vragen:
"Wat hebben jullie gedaan toen de grote wereldproblemen moesten worden opgelost?"
En dat je dan antwoordt:
"Wel, in België hebben we onszelf eerst opnieuw georganiseerd omdat we niet goed konden samenwerken."
Dat is retoriek.
We verliezen er kostbare tijd mee.
Hoe kijk je naar die samenleving van de retoriek?
De menselijke psychologie is er vrij goed in te beoordelen of iemand de waarheid spreekt, wanneer die persoon recht tegenover je staat.
Maar zodra dat rechtstreekse contact verdwijnt, verliezen we dat vermogen.
En precies daardoor krijgen Donald Trump en alle andere populisten hun kans.
Schermen tonen ons een vervormd beeld, maar ons brein beseft dat niet.
Dat is een vertekening die we sterk onderschatten.
We denken dat we iemand nog altijd van aangezicht tot aangezicht zien, dat we kunnen vertrouwen op wat we waarnemen, op die intuïtie die ons al tienduizend jaar helpt.
In een ideale wereld zouden we alleen stemmen op mensen die we persoonlijk kennen, waarna die verkozenen onder elkaar verdere keuzes zouden maken.
Maar dat is natuurlijk een utopie.
Het enige wat we kunnen doen, is ons bewust worden van dat gevaar.
Bart De Wever heeft, naast het confederalisme, de strijd tegen het woke-denken tot een nieuw politiek thema gemaakt. Hij verwijst daarbij naar de Amerikaanse betekenis van woke: bewust zijn van discriminatie en maatschappelijke ongelijkheid. Wat vind je daarvan?
De N-VA kan niet buiten de stroom van de wereld blijven staan.
Of ze #MeToo nu sympathiek vindt of niet.
Of ze minder autoverkeer belangrijk vindt of niet.
Of ze hernieuwbare energie belangrijk vindt of niet.
Ze zullen daarin moeten meegaan.
Dat is de richting waarin de geschiedenis zich beweegt.
Ik denk dat we ons internationaal volkomen belachelijk maken.
Wie zal ons nog ernstig nemen wanneer een landje zo klein en zo schattig als België er niet eens in slaagt zijn problemen op te lossen, maar ze juist ingewikkelder maakt, nieuwe structuren creëert waarvan niemand nog weet of het eigenlijk een nieuw land is of niet?
Zou het niet verstandiger zijn de zaken niet nóg ingewikkelder te maken, de bestaande tekortkomingen aan te pakken en ons eindelijk te richten op de grote problemen van de wereld?
Inflatie.
De ecologische transitie.
Werkloosheid.
Openbaar vervoer.
Laten we dáár eerst eens mee beginnen.
Lees het interview op de website van Wilfried