| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Fragment

p. 18 en 19

MIJN GROOTVADER STIERF de week voor Kerstmis. Hij had lange tijd in het ziekenhuis doorgebracht, maar was naar huis gestuurd omdat zijn situatie niet veranderde en omdat er rond de kerstperiode toch niet genoeg verplegend personeel was. Hij nam een taxi naar huis. Mijn moeder en ik waren rond die tijd nog bij ons thuis, in de hoofdstad. Wij maakten ons klaar om Kerstmis met hem door te brengen. Ik had 's morgens nog met hem getelefoneerd. We praatten over de voorraad brandhout in het schuurtje; er was er niet meer zo veel, had hij gezegd, en hij zou mij wellicht moeten vragen om wat dennestammen waar hij niet meer aan toe gekomen was in stukken te hakken. Ik zei dat dat geen probleem was en hoopte dat hij mij zijn machines zou laten gebruiken.

's Avonds belden we hem opnieuw maar we kregen geen antwoord. De volgende morgen nog altijd niet. We hadden hem gevraagd de telefoon naast zijn bed te zetten, en hij had ons beloofd dat te doen. Tegen elven belde mijn moeder de politie van de benedenstad. Ze zeiden dat ze zouden gaan kijken.

Het noodlot wilde dat het Soeur Béate was die hem vond. Het huis ligt hoger dan het klooster, maar de tuin en het schuurtje waarin mijn grootvader zijn brandhout bewaarde, bevinden zich een paar meter lager dan het wegdek, net voorbij de scherpe bocht die tot aan het klooster leidt. In de sneeuw zag ze iets liggen. Eerst dacht ze aan een deken dat in de sneeuw was blijven liggen. Ze twijfelde of ze zou gaan kijken; zij en mijn grootvader spraken sinds mensenheugenis niet meer met elkaar, en Soeur had de neiging om zich wat er ook gebeurde afzijdig te houden. Haar christelijke vergevingsgezindheid moet haar die morgen parten gespeeld hebben, want ze keerde op haar stappen terug.

De politie vertelde ons later dat de non helemaal van streek was. Vele jaren lang hadden de twee zwijgzaam naast elkaar gewoond, hij alleen in het landhuis op de top van de heuvel, en zij als laatste geestelijke in het klooster dat door god verlaten was en een erg vervallen indruk maakte. Ik wist toen nog niet waarover ze al vele jaren in ruzie lagen. Als kind heb ik er ook nooit naar gevraagd. Het was een gegeven en ik hield er rekening mee. Ik ging ervan uit dat het eerder een gewoonte dan een echte vete was. Maar deze zomer heeft Caitlin mijn ogen geopend. Ze heeft me voor aap gezet door te laten zien dat ik de enige was in de omgeving die niet wist wat er gebeurd was.

Tegen de tijd dat wij aankwamen, had Soeur al het nodige gedaan. Mijn grootvader had ze eigenhandig afgelegd op het bed in de zolderkamer. Er brandden kaarsen en ze had voor geuropslorpers gezorgd die ze discreet onder de kast en onder het bed geschoven had. Ze had een begrafenisondernemer laten komen en een kist besteld, de eenvoudigste en de goedkoopste die er te krijgen was, maar ze zal gedacht hebben dat dat goed genoeg was. Wij kwamen binnen na een zenuwslopende treinreis met vertragingen en overstappen, onze koffers nog in onze handen en onze jassen nog aan. Ze knikte naar ons en verdween, klein en helemaal in het grijs. Het was de eerste keer dat ik haar van zo dichtbij zag.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!