| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Fragment

Hoofdstuk 13

Enige tijd later strandden de grindewallen op de Kabeljauwskaap. De gebeurtenis stond op de voorpagina van alle kranten, en plotseling werd het zo druk, dat ik bijna vergat dat tante Tanja ooit bestaan had.

Ik zat op de flank van een duin aan een korst op mijn knie te krabben. De korst was keihard, en er zat gele etter onder die aan de randen hard geworden was. Ik probeerde het harde stuk langzaam los te peuteren, zodat het geen pijn deed.

Ik zat daar al een tijdje geconcentreerd te prutsen, en toen ik opkeek lag er een groot aantal vreemde, zwarte gedaantes op de kustlijn. Eerst dacht ik dat het gekantelde roeiboten waren, maar dat was niet mogelijk, want er waren geen mensen in de buurt. De zee maakte haar normaal geluid en verspreidde haar normale zoutgeur.

Ik stond op om beter te zien wat het was, en liep een eindje de duin op. De dingen waren geen boten, want ze leefden. Ik kon nu heel duidelijk zien dat het lichamen waren die ademden. Ik zag ook een groot gezicht, kleine oogjes, en een lichtjes glimlachende mond. Het waren vissen, zo groot als ik ze nog nooit had gezien. Er waren er veel, wel dertig of veertig. Sommige lagen nog bijna helemaal in het water, met alleen een flank boven het zeeoppervlak. Anderen lagen met hun kop en hun buik op het strand, en sloegen sloom met hun reusachtige, platte staart in het water. Ze hadden allemaal een reusachtige rugvin, en twee zijvinnen die veel langer waren dan mijn armen, en die bij een paar dieren bewogen.

Ik stopte. Ik stond zo versteld dat ik niet meer durfde. 'Waarom komen de vissen uit de zee?' vroeg ik me af. 'Is de zee te vuil voor hen? Zoeken ze eten? Misschien zijn het wel haaien, op zoek naar mensenvlees. Helemaal geen lieve haaien zoals de kleine haai van Tara. Maar haaien met een reusachtige, pijlscherpe rugvin zoals je ze soms vanaf de kunst kunt zien.' Ik dacht aan de verhalen van haaien die zomaar een arm of een been van iemand afbijten, en ik slikte al mijn speeksel door. Ze waren wel honderd keer groter dan de jonge haai die we ooit op het strand hadden gezien. Ik schrok nog meer toen ik achter mij iets hoorde bewegen. Een haai die mij in de rug aanviel? Het was Tara. 'Kijk!' zei ze zacht. 'Walvissen. Dat zijn walvissen.' Ze wachtte niet op mij en liep helemaal alleen naar de zee toe. Ze leek heel klein toen ze de reusachtige dieren naderde. Nu zag ik duidelijk dat ze allemaal verschillend waren van grootte: sommige waren zo lang als een kleine visserssloep, andere maar zo lang als een viermanskano. Tara stond nu naast een van de dieren. Ze tikte hem vriendschappelijk op de schouders en op de rug. Ze was niet bang, en ze deden haar niets.

'Ik moet naar huis rennen,' dacht ik gealarmeerd. 'Ik moet mama of papa halen, en zeggen dat ze de brandweer bellen. Of iemand anders. De parkwachter misschien?' maar ik liep niet naar huis. Het strand was zo rustig dat ik niet in paniek kon raken. Dit was geen noodtoestand, het was een verschijning, en het was mooi.

Ik schoof wat dichter naar het strand toe, en hoorde dat de dieren klikkende en brommende geluidjes maakten. Twee lagen op hun zijde, en toonden hun grijze buik. Hun flanken hadden golvende, metaalkleurige, geelbruine of witte vlekken of strepen, maar hun ruggen waren gaaf en zwart.

Ze keken mij allemaal aan met kleine, heldere oogjes waar een donkere rand omheen zat. Ze lagen luid te briezen door het spuitgat achteraan op hun kop. Sommigen spoten zelfs een beetje water op, als een kleine fontein. Er hing een vreemde geur over de plaats waar ze lagen. Het was een mengsel van de reuk van gedroogd hooi en van blaasjeswier.

'Ze hebben een grappig hoofd, hé!' riep Tara over de geweldige rug van de dieren heen. 'Precies het ronde hoofdje van een baby.' Ze kwam naast me staan. 'Ik denk dat het grindewallen zijn, zei ze. 'Ik heb er een tekening van in mijn boek over de zee. Het zijn die walvissen die flessen doorslikken. Als je een boodschap in een fles wil versturen, moet je een heleboel flessen versturen, want de helft wordt doorgeslikt.' Ze nam me bij de arm en duwde me tot helemaal bij een van de walvissen. Ik keek naar de gespierde massa die op alle plaatsen bewoog en samentrok en rilde. Daarna ging ik bij het vriendelijke gezicht staan, en voelde mij niet bang.

'Zielig hé,' zei Tara. Ik keek haar verwonderd aan, want ik begreep niet goed wat zielig was. Er waren toch geen dieren gawond of zo? Eigenlijk lagen ze allemaal tevreden te glimlachen. 'Ze zullen allemaal sterven,' zei ze, met een stem die niet van haar leek.

'Sterven?' vroeg ik. 'Wat bedoel je? Waarom sterven?'

Ze keek me aan alsof ik een oliedomme vraag had gesteld. 'Ze zijn toch gestrand. Zie je dat dan niet? Ze gaan zo meteen dood omdat ze opdrogen. Het zijn walvissen, zie je?' Wal-vis-sen sprak ze heel traag uit, alsof ze dacht dat ik dat woord nog nooit eerder had gehoord.

'O!' zei ik, en meer durfde ik niet te vragen, want het was duidelijk dat ze haar geduld aan het verliezen was. 'Gestrand,' herhaalde ik bedachtzaam, en toen wist ik het weer. De herinnering zat ergens helemaal achteraan in mijn hoofd, maar door het woord 'gestrand' kwam alles terug. Toen ik een heel klein meisje was, was het ook eens gebeurd. Toen was het net zo mooi, en net zo zielig. Ze waren reusachtig groot, veel groter dan deze dieren, en ze hadden een bek als een boot. Potvissen waren het, twee stuks. Ze stierven in een paar uren tijd. Ik zat er op papa's schouders heel lang naar te kijken. Ik vroeg hem niet te dicht te gaan, want ik was bang.

Ik herinnerde me in een flits de vragen die ik me toen gesteld had: 'Het kon toch niet dat die dieren hier gewoon op het strand kwamen liggen om te sterven? Ze hadden toch ogen in hun kop! Ze zagen toch ook wel dat de zee aan de andere kant was, en dat ze gewoon maar rechtsomkeert moesten maken? Is de zee te vuil voor de potvissen? Zoeken ze naar eten?' De potvissen werden begraven in reusachtige kuilen in het zand. De buik van de eerste scheurde toen de hijskraan hem optilde; de hele omgeving stonk twee dagen lang naar rottende ingewanden en ziek bloed.

Dit keer was er een hele kudde walvissen, maar ze zagen er gelukkig gezond uit. De dieren moesten gewoon terug de zee in. Ik draaide me kort om, en meteen voelde ik de paniek waarop ik gewacht had. Ik liep naar Tara toe en greep haar arm. Ze wachtte niet tot ik iets zei. 'Als de zon blijft schijnen, dan zijn ze tegen de avond allemaal dood.' Ze sprak rustig, alsof ze van plan was alles gewoon te laten gebeuren.

'Ik denk dat we iets moeten doen,' riep ik vlakbij haar oor. Mijn stem trilde, en ik probeerde de vreemde schraapklank in mijn stembanden weg te slikken.

'Wat wil je doen?' vroeg Tara, en even leek het alsof ze weer kregelig zou worden.

'Emmers water over de walvissen gieten, zodat ze nat blijven. En de brandweer bellen, die de dieren in het water kunnen duwen.'

Tara schudde het hoofd. De dunne krullen in haar nek bewogen mee. 'Ik denk niet dat we dat mogen doen. Als de grindewallen hier willen sterven, dan moeten we ze laten sterven. Als je ze tegenhoudt, doen ze het op zekere dag toch.'

'Dat kan toch niet? Jij weet toch niet of ze willen sterven.'

'Ik weet het niet, maar het kan wel,' zei ze rustig, met een schoolmeesterachtige nadruk op 'weet' en 'kan'. Ze sloot haar ogen, en ik keek naar hoe haar wimpers elkaar raakten telkens als ze met haar ogen knipperde. 'Als je moeder niet meer wil leven, dan is er ook niets aan te doen. Moeders die dood willen, gaan uiteindelijk dood, wat je ook doet.' Daarna zei ze niets meer. De vissen op het strand waren vreemd, en Tara ook: ze was rustig, nog rustiger dan wanneer we samen schommelden op het terras. Ze wandelde van het ene dier naar het andere, en sprak ertegen. Toen ik hoorde wat ze zei, dacht ik dat ze gek geworden was. 'Heb je mijn fles doorgeslikt?' vroeg ze voortdurend. 'Je hebt mijn fles toch niet doorgeslikt hé. De fles moet naar Europa, je mag hem niet doorslikken.'

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!