Lezingen

Nieuws
Werk
   -Alle
   -Ebooks
   -Luisterboeken
   -Bewerkt/Verfilmd
   -Vertaald
   -Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Dissertaties
   -Favorieten

Audio/Video
Foto's
Contact

Ode aan Hugo Claus

Het Letterenhuis vraagt Anne Provoost om uit het overweldigende archief van Hugo Claus een werk te kiezen dat op haar een bijzondere indruk heeft gemaakt. 

Verschenen in Zuurvrij august 2015

Ik ben in West-Vlaanderen geboren en opgegroeid. Ik ken het landschap ginds, en wat erin zingt. Zoals velen aldaar lijd ik op gezette tijden aan synesthesie, dat is verwarring van de zintuigen – een gevolg van het opgroeien in een landschap waarin je meer dan de helft van het jaar geen onderscheid kunt maken tussen het grijs dat zich boven de horizon bevindt, en dat eronder. Synesthesie uit zich veelal in het zien kleuren bij muzieknoten of woorden. Bij mij flitsen bij het denken aan boeken die ik heb gelezen regels door het hoofd uit liedteksten, de kerkgezangen van mijn jeugd – tenminste, ik denk dat het kerkgezangen zijn, want ik hoor ze uitgesproken door de stem van onze dorpspastoor, die niet kon zingen. Ze komen met dezelfde hardnekkigheid bij me binnen als Now you’re just Somebody That I Used To Know. Bij Het verdriet van België is de regel die zich in mijn hersenpan vastzet, en steeds weer herhaalt, de volgende: Het leven, almaar verdergaand, in volle aanvaarding van onze behoeftigheid. Ik weet niet waar ik hem vandaan haal, dit is geen zin uit het boek, ook niet uit een bestaand gebed, want ik heb de woordcluster tussen dubbele aanhalingstekens gegoogled, en mijn zoekbewerking ‘heeft geen overeenkomstige documenten opgeleverd’. Het Letterenhuis laat weten dat ze de manuscripten van Claus hebben, en of er iets is dat ik wil bekijken (doorbladeren, vasthouden!). Ik hoor meteen weer die zin: Het leven, almaar verdergaand, in volle aanvaarding van onze behoeftigheid. Ik kom vierklauwens hierheen omdat ik altijd al heb willen weten of Het verdriet van België werkelijk is ontstaan zoals alle andere boeken uit die tijd, een penneke en een blad papier, handgeschreven versies, later een typoscript. De stemmen van Louis Seynave en zijn familie in de jaren ‘30 en ’40 riepen voor mij, toen ik ze voor het eerst hoorde ergens in mijn twintiger jaren, herinneringen op aan mijn voorgeborchte. Ik herkende de zegging en intonatie van mijn ouders en grootouders van toen ik nog moest worden geconcipieerd. Inhoudelijk zat de essentie in de hoge aandacht voor hoe de aanwezige lichamen werken. Hoe ze bewegen, hikken, slurpen, constiperen, langs hun neus weg spreken.

'Scheisse’, zei Mama, zij zei het vaak de laatste dagen, zij hield haar lenden vast. Alsof daar een kind bewoog. Papa had het weer bekorven. Hij had van zijn broer Robert iets onduidelijks meegekregen. ‘Het fijnste van het fijnste,’ had Papa geroepen toen hij ermee binnenkwam, een reep ingewanden zo uit een varken losgerukt met klodders en lellen, hij had het gebakken, gestoofd, gekookt, gesmoord met te weinig margarine, te veel uien. ‘Scheisse,’ riep Mama en rende om de tien minuten naar achteren, woedend.

Claus’ beschrijvingen in Het verdriet van België komen telkens weer neer op hoe fysiek we feitelijk zijn. Denken is mooi, maar ons gestel ligt altijd op de loer om met ongemak en pijn gedachten te blokkeren. Als de mechaniek het niet meer doet, verzwakt zelfs het strafste betoog. Redenaties struikelen, vertonen gaten, stuiken in als Constances soufflés. Daarvan heeft Hugo Claus tot in zijn dood getuigd, dat als het lijf niet meer mee wil, er ook geen genialiteit meer is om op te bogen. Gelukkig heeft Claus lang voor zijn tragische einde de wereld een mirakel aangeleverd. Het bestaat uit een onsterfelijk werk, met stip het beste in Vlaanderen ooit geschreven. De stoffelijke kant van het mirakel, het relikwie dus, ligt vandaag in een glazen kast beneden: grote papieren met een mild handschrift gevuld, pagina’s en pagina’s. Bij de vergelijking tussen de eerste versie en het origineel is duidelijk dat Claus verbetert. Dat is voor al wie al eens iets op papier probeert te zetten een geruststelling. Zijn werk klinkt alsof het in één worp is ontstaan, maar hij doet het – net als wij, stervelingen – door te zoeken. Met de eerste versie van een tekst is het zoals met de liefde: het lijkt niet op wat het had kunnen zijn, maar het bestaat tenminste, en daarin ligt zijn verdienste. Maar Claus wijzigt trefzeker. De veranderingen tussen zijn eerste versie en zijn laatste – ik heb fragmenten vergeleken – zijn steeds dezelfde: hij snoeit. Hij verwijdert elke uitleg, hij laat de handelingen van de personages voor zich spreken. Zo komt hij tot een boek dat een mirakel mag heten, en dat u, naar aanleiding van wat u in de glazen kast hebt gezien, bij thuiskomst opnieuw ter hand kun nemen. U moet dat doen op eigen risico. Ik dacht ook dat ik slechts hier en daar een stuk zou herlezen. Maar ik heb niet meer kunnen stoppen de voorbije week. Ik had heel andere boeken op mijn leeslijst staan voor deze vakantieperiode, maar Claus nam me weer eens mee. Hij liet me het leven zien dat voortgaat in volle aanvaarding van onze behoeftigheid, die woorden die in rood en blauw en groen in mijn hoofd verschenen toen ik terugdacht aan dat boek dat ik veel eerder al een keer had gelezen. Claus vult de term ‘behoeftigheid’ niet in zoals de meeste schrijvers, als de verheven nood aan liefde, aan schoonheid, aan alles wat larger is than life. Hij geeft onze behoeftigheid letterlijk weer, zonder uit te leggen: te moeten krabben, speeksel te moeten aanmaken, slecht verteerbaar voedsel op de een of andere manier te moeten afscheiden. De behoeftige mens is dat bij hem letterlijk: onvolledig, geamputeerd, in-valide, dwarsgezeten door de tekorten en de eigenaardigheden van het menselijk lijf. Hij persifleert zowel als gebruikt de nonkelhumor die wij allemaal herkennen uit onze jeugd. De meerwaarde die Claus toevoegt is het diepgaande mededogen. Voor Staf, de vader van Louis Seynave, die nadat zijn vrouw onwel is geworden van het eten van het lillend varkensvlees het lof heeft verkondigd van het vasten, toch gewoon bij de ijskreemkar gaat staan, naast de pony die onophoudelijk geeuwt, en waarvan je de ribben kunt tellen, en die weer eens ‘reclameert’ als Sootje-de-ijsventer zijn ijs maakt op basis van water in plaats van melk, volgens de laatste mode. Dat maakt van Claus De Meester. Hij schildert zijn personages met deernis. Hij laat zien hoe ze altijd afhankelijk blijven van hun lijf, en daarin aan ons gelijk, ons leven levend, almaar verdergaand, in volle aanvaarding van onze behoeftigheid.


FOTO © Ingrid Vander Veken

Tijdens de Museaumnacht van 1 augustus 2015 werden in het Letterenhuis onderdelen getoond van het literair archief van Hugo Claus. Auteurs Charlotte van den Broeck, Anne Provoost en Ingrid Vander Veken werd gevraagd elke een stuk te kiezen. Dat kon een foto zijn, een handschrift of een brief die herinneringen oproept of hen inspiratie geeft. Ze vertelden voor een publiek hun hoogst persoonlijke verhaal bij het archiefstuk dat ze kozen.