| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Dagboek uit Kasmu

“Uitschrijven aub”

1 mei
Vóór mij de zee blauwer dan het onbetamelijkste azuur van Photoshop, de kust verrassend gekraagd met kogelronde zwerfkeien, achter mij het Lahemaa National Park waarin beren, lynxen en elanden huizen, boven mij het licht dat roept en een raid uitvoert op mijn vermoeidheid… ik kan niet geloven waar ik ben aangekomen.

2 mei
Ik verblijf in een oud kapiteinshuis. In de beste Centraal-Europese traditie van schrijvers verwennen is het tot schrijvershuis omgebouwd. Het enige geluid dat ik hoor is dat van de hommels die tegen mijn raam aan vliegen, van zwanenfamilies die jakkerend als locomotieven rakelings over de nok van het huis gaan, en van nu en dan een specht in het oerbos. Zal ik tegen de stilte kunnen, heb ik me voor mijn vertrek afgevraagd? Tegen de eenzaamheid? Het enige waar ik me niet de minste zorgen om heb gemaakt is het licht. Dat zal mijn kompaan zijn, dacht ik, het zal mijn dagen lang maken, en mijn gedachten elektriseren. Mijn slaapkamer in het kapiteinshuis ligt op het noordoosten; daar komt de zon op op bijna dezelfde plek als waar ze weer ondergaat. Een gordijn is niet voorzien.

3 mei
In het bos woont een vogel die een elektronische pieptoon nadoet. Ik gooi mijn dekens van me af en spring uit bed. Ik doorzoek mijn bagage. Is het mijn mobiele telefoon? Thunderbird? Skype? MSN? Iemand die me dringend probeert te bereiken? Ik heb apparatuur bij me die ik anders niet gebruik, hun bliepjes zijn me niet vertrouwd. Ik ga weer liggen om nog wat te slapen. Het is vier uur in de ochtend en mijn slaapkamer baadt in het licht.

5 mei
In het huis wonen nog schrijvers, hoofdzakelijk Esten. Ze spreken weinig, komen en gaan. In nieuwe vrienden maken zijn we niet geïnteresseerd, we hebben al vrienden. Als autisten werken we hier, er is alleen wij en onze tekst. Ik schrijf over de “Franse” Hugenoten (waaronder heel veel Vlamingen) die zich in de 17de eeuw settelden op de Afrikaanse Kaap. Hier maak ik me de voorstelling: de zee, met daarachter een wildernis waar je niets van begrijpt. Mijn onderzoekswerk is grotendeels gebeurd, nu alles nog uitschrijven. Het is vijf uur in de middag en ik heb mijn stem nog niet gebruikt. Het probleem met uitschrijven is altijd hetzelfde: je vergeet te eten en je vergeet te bewegen. Alleen als ik naar huis bel weet ik welke dag van de week het is.

6 mei
Een droom die zich altijd maar herhaalt: ik lig thuis in bed, ik sta op en loop naar de kast, trek de lade open, haal er een slaapmasker uit, zet het op en kan eindelijk inslapen. Ik voel hoe ik in mijn slaap nog altijd verhaallijnen uitbouw. Ik droom nu en dan in beelden, maar meestal in hoofd- en bijzinnen.

7 mei
Ik barricadeer mijn raam alsof ik een inbreker buiten houd. Ik word in het blinderen steeds handiger, gebruik kussens, koffers, dekens om de zon te weren. Elke ochtend is mijn kamer donkerder dan de ochtend ervoor, en telkens voelt dat als een overwinning. Boven het raam zit een rij spijkergaatjes, stille getuigen van de worsteling van eerdere schrijvers met het licht.

8 mei
De collega in de kamer naast me schrijft gedichten op een tikmachine. De muur tussen ons is van hout. Wat een voelbare productiviteit, wat een resonantie! Elk woord in zijn vers heeft een nagalm, de droom van iedere dichter.

9 mei
‘Is er wel een goede internetconnectie?’ heb ik gevraagd toen ik het aanbod kreeg om hier te komen werken. Er moeten drukproeven worden nagelezen, vertalingen gecontroleerd, ontwerptekeningen uitgewisseld. Ondertussen weet ik: er is een goede internetverbinding. De Estse overheid heeft er lang geleden al voor gezorgd dat er in elk dorp, hoe klein ook, minstens één hotspot kwam. Ik kan een eind de zee in lopen, op een van de zwerfkeien gaan zitten en online gaan, tussen mij en Helsinki niets dan zee. Maar eilaas, er is het licht, dat Estse licht waardoor ik mijn scherm niet kan lezen.

10 mei
Als de zilvergrijze kraaien in de toppen van de lorken allemaal op hetzelfde moment aanslaan mag je er gif op innemen: vos in de tuin.

11 mei
De filterzakken zijn op. De kruidenierszaak is vijf kilometer verderop, we hebben enkel fietsen, en het regent. Elke schrijver is creatief met koffie. De dichter maakt koffie zonder filter, de drab vindt hij geen probleem. We zijn het er allemaal over eens: hoe koffie smaakt is niet zo belangrijk, als hij je hoofd maar helder houdt.

13 mei
Een déjà-vu uit mijn jeugd: ik fiets naar de kruidenier, gooi mijn fiets zonder die op slot te doen tegen de gevel, blijf wel een half uur binnen, vooral om langdurig naar het vreemde, kleurrijke snoepassortiment te kijken, betaal, kom weer buiten, en zie dat mijn fiets er nog altijd staat.

14 mei
Er zit een bult in mijn verhaal. Wat ik ook probeer, ik raak er niet overheen. Drie dagen lang zit ik te schrijven en te wissen. Ik kom geen woord verder met mijn manuscript. De vierde dag lukt het me om de knoop te ontrafelen. Voor eventjes ga ik weer door mijn tekst als boter.

15 mei
Grote opwinding in het schrijvershuis: Riina, de linguiste die hier haar doctoraat schrijft, heeft op het strand afdrukken van berenpoten gezien. Niemand die haar gelooft, maar iedereen gaat erheen, ook de huisbewaarster die hier al haar hele leven woont. De bewijzen zijn ontegensprekelijk: bruintje is in de buurt. Dit, en het Eurosongfestival, de enige twee gebeurtenissen waarvoor ik de schrijvers in dit huis geestdriftig hun werkplek heb zien verlaten.

16 mei
Waar je ook gaat, altijd weer zijn er die witte berkenstammen. Raak je daar ooit aan gewend, aan een midden van de dag met van die ellenlange schaduwen altijd, en een zee die aan melk doet denken? Hier begrijp ik wat van Nabokov zo’n melancholisch schrijver maakte. Ik ga wandelen en maak foto’s. Met Picasa maak ik collages van dat adembenemende treffen tussen pijnbos en strand. Het resultaat noem ik ‘Pestprentje 1’, ‘Pestprentje 2’, …. Mijn familie thuis krijgt er elke dag eentje toegestuurd, ongevraagd. Ik verwacht nu gauw een reply met als mededeling ‘Uitschrijven aub’.

17 mei
Er is maar één deur om dit huis uit te komen. Er is maar één route om dit schiereiland te verlaten. Er is maar één zijde waar je de landsgrens over kunt (de Russische zit potdicht). Dat stelt me gerust. Als iemand mijn werkkamer binnendringt om mijn laptop te stelen, wordt de dief snel gevonden.

18 mei
Als je lang genoeg zit wordt elke stoel te hard. Na een paar dagen beginnen de schrijvers het huis te doorkruisen, op zoek naar een ander tafelblad, een andere lichtinval, beter zicht op de baai. Allemaal lopen we met onze ziel onder de arm.

19 mei
De vader van Robert is in Käsmu opgegroeid. In ‘43 ontsnapte hij in een visserssloep over de baai naar Finland. Van Finland trok hij naar Toronto. Robert schrijft over die vlucht een boek. Hij wilde vanuit Canada in ’87 al hierheen komen, maar hij kreeg toen van de Russen geen toestemming. Tot in de jaren negentig was deze kust verboden gebied, zelfs voor de Esten die hier woonden, het strand met een twee meter hoge prikkeldraad afgezet. Her en der staan nog de scheefgezakte uitkijktorens. Hun langgerekte slagschaduw valt over elk gesprek dat ik voer. ‘Ik weet niet hoe op een welvoeglijke manier over de Russen te praten,’ zegt de dichteres van de kamer onder me.

20 mei
Ik voel me doodop. Al dat licht op mezelf en op mijn tekst, zelfreflectie waar ik anders nooit tijd voor heb. We koken voor elkaar en we erkennen: dagenlang ongestoord kunnen doorwerken geeft je vleugels, maar als we elkaar hier niet hadden, werden we krankzinnig.

24 mei
Ik vind een website waarop je stadsgeluiden van New York kunt downloaden, compleet met telefoongerinkel, straatfanfares, en loeiende sirenes, in zuivere 3D-tracks. Ik luister ernaar terwijl ik naar mijn zee kijk, de wereld in zijn eerste staat.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!