| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Fiets

Verschenen op de opiniepagina van De Standaard 28 november 2017

Eerst waren er de karren. Ze hobbelden over de modderige Vlaamse wegen. Ze manoeuvreerden tussen putten en bulten. Ze gingen de graskant in als het moest. Ze parkeerden overal waar plaats was. De voetgangers laveerden er tussendoor. Er gebeurden ongelukken. De lastdieren konden gevaarlijk zijn, vooral de paarden. Er raakten mensen gewond, er stierven regelmatig kinderen onder de hoeven. Er was enig maatschappelijk debat over de plaats van karren in het openbaar gebied, maar er waren nog geen sociale media en opiniepagina’s om het debat te stroomlijnen.
Toen kwamen de auto’s. Ze laveerden om de karren heen. De mensen waren slecht vertrouwd met auto’s. De kinderen dachten dat ze zouden wijken, ook als de voerder niet oplette, zoals paarden dat meestal vanzelf deden. De fietsers maakten hun opgang rond dezelfde tijd. Zelfs de vrouwen gingen fietsen (het duurde even voor dat maatschappelijk aanvaardbaar bleek). Fietsers en voetgangers laveerden om de auto’s en karren heen. Algemene chaos, er gebeurden ongelukken nu en dan, er moest worden nagedacht over regels voor de automobielen.
Er kwamen steeds meer auto’s. Er ontstond zoiets als een rijbaan, met strepen, afgebakende parkeerplaatsen, aparte stroken voor voetgangers en fietsers, en steeds meer regels. De regels waren om te zorgen dat iedereen kon bewegen, maar belangrijker was ze dat ze probeerden te voorkomen dat mensen verongelukten. De openbare weg werd langzaamaan het gebied van de automobilist. De fietsers laveerden nog altijd om de auto’s heen. Ze hadden een aparte status. Ze waren de vrijbuiters, ze konden overal passeren, ze waren wendbaar, altijd inzetbaar, niet gehinderd door veel regels, ze bewogen als zand tussen de keien. De fiets werd voor velen een valabel alternatief voor de auto. Het voertuig werd namelijk niet als bedreigend ervaren. Als er voor fietsers al regels waren, was het om hen te beschermen, of om ervoor te zorgen dat iedereen vlot kon circuleren. De regels gaven niet in de eerste plaats de indruk dat ze bestonden omdat zij, de zwakke weggebruikers, een gevaar vormden voor anderen.
Dat discours is nu aan het veranderen. Je voelt het in de krantenopinies, in de besluiten van het Antwerpse stadsbestuur, in de reacties op de sociale media. De fietser is een gek, een stunter, een veroorzaker van leed en ongelukken. Hij maakt autochauffeurs aan het schrikken, hij rijdt bejaarde dames aan, hij blijft haken in andere fietsers. Hij moet eigen banen in, op het fietspad blijven, hij mag de plek die hem is toebedeeld niet verlaten. Wil hij op een voetpad komen, op een plein, in een winkelstraat, dan moet hij afstappen. Het helpt niet dat de fietser net fietst ter vervanging van de auto. De fietser meende dat hij ondanks alle files, alle obstructies, alle werven, toch snel ter plaatse kon raken. Hij wilde nadrukkelijk geen voetganger zijn. Te voet gaat hij om zich te ontspannen, te winkelen, de stad te bezichtigen, te genieten van zijn tijd. Fietsen doet hij omdat hij ergens moet zijn, en daarbij de bewuste keuze maakt om niet de auto te nemen. Er zijn heel veel fietsers in de steden, almaar meer. Dat er zo veel zijn legitimeert nog niet dezelfde behandeling van de fietser als de auto, met dezelfde boetes en straffen, hetzelfde gescheld op straat. De wendbare waaghals is namelijk, ook als hij alle regels en wetten zou doorbreken, niet half zo gevaarlijk als de autobestuurder. De fietser die zijn gsm gebruikt op zijn fiets, de fietser die op het voetpad fietst, de fietser die bij rood rechts afslaat, brengt in de eerste plaats zichzelf in gevaar. Er moeten maatregelen worden getroffen ter bescherming van de fietser, en ze moeten als dusdanig worden voorgesteld, als wetten ter bevordering van de weggebruiker die de juiste keuze heeft gemaakt, en daarvoor mag worden beloond met goede regels. Zoals het debat nu gaat, klinkt het alsof de fietser het probleem is. Terwijl hij de oplossing is. Want wat is de volgende stap? Dat voetgangers ook in hun toegewezen plaatsen moeten blijven. Dat iedereen moord en brand gaat schreeuwen als ze tussen het verkeer laveren in plaats van net als de auto’s stokstijf te blijven staan als er een obstructie is? Mogen voetgangers nog van hun voetpad af komen als dat openligt, als er een auto op staat, als er een diepe plas is? Het statuut van de voetganger is voorlopig niet geraakt. Hij blijft het zand dat zich tussen de keien kan laten glijden. Vroeger gold dat ook voor de fietser. Niet lang meer. Hij riskeerde zijn velgen, zijn lampen daverden af, hij ging put en bult door en over, maar hij raakte ter plaatse. Vaarwel mooi en nuttig statuut.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!