| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

“Ik vind het gênant dat mensen mijn boeken lezen.”

Interview Michiel Leen, verschenen in Verzin, driemaandelijks tijdschrift van Creatief Schrijven, Jg 7 nummer 2, april, mei, juni 2012.

Ben je momenteel aan iets aan het schrijven?
De voorbije dertig jaar is er geen moment geweest waarop ik niet aan het schrijven was. Maar niet alles wat ik schrijf wordt gepubliceerd. Een manuscript gaat vaak enkele jaren een koffer in. De dag waarop ik een boek indien bij de uitgever, zit ik alweer in een van mijn koffers te neuzen om te kijken welk manuscript ik nu eens ga afwerken. Veel van wat ik liggen heb stamt uit de tijd voor Google: ambachtelijk opzoekwerk, met krantenknipsels en tijdschriftartikels. Fictieschrijvers hebben de luxe om al dat bronnenmateriaal naast zich neer te leggen, het te vergeten en te verdoezelen.

Toch ga je ernaar op zoek. Op een of andere manier komt die documentatie je dan toch van pas?
Elk dossier bestaat uit materiaal dat mij niet loslaat. Ik heb het verzameld en op basis daarvan mijn eerste versie geschreven. Soms dateert zijn incubatietijd van vijftien jaar geleden. Een enkele keer gaat het sneller. Een tekst hoeft niet per se vijf jaar in de koffer te chillen. Wanneer je je boek helemaal kunt doorlezen zonder dat je nog een woord wilt aanpassen, is het klaar om vrijgegeven te worden. Maar zodra je een woord verandert, moet je weer gaan puzzelen. Dat gaat dus niet over spelfouten. Elke verandering zet in de hele tekst een kettingreactie in gang, dat ook een esthetische gevolgen heeft. Ik moet de volledige paragraaf opnieuw gezien hebben voordat ik een aanpassing kan doen.

Het lijkt me iets waarmee je jezelf slapeloze nachten bezorgt. Went die perfectionistische werkwijze ooit?
Ik heb het altijd zo gedaan. Stringente deadlines bezorgen me wel slapeloze nachten omdat ik de tijd niet krijg om de effecten van die kleine wijzigingen na te gaan. Allicht zorgt dat ervoor dat ik minder werk uitbreng dan wanneer er iemand zou zijn die tegen me zegt: “Zo is het wel goed.” Ik besef ook wel dat die correcties niet meer het verschil maken tussen een geslaagde en een mislukte roman. Maar ik zie niet in waarom ik me zou haasten. Op deze manier kom ik tenminste niet meer voor onaangename verrassingen te staan op het moment dat ik het gedrukte boek in handen heb.

Je staat bekend als jeugdschrijfster, maar een aantal boeken zijn als volwassen fictie uitgebracht. Beslis je zelf hoe het uitgebracht wordt?
De arkvaarders verscheen eerst als young adult-roman, vervolgens als volwassenenboek. De noemer waaronder dat boek verschijnt, laat je niet door anderen bepalen. Daar wordt over overlegd met de uitgeverij. Toch heb ik spijt van wat hoe we De arkvaarders hebben gecatalogeerd; het was beter niet als jeugdroman verschenen. Vooral in het buitenland werd duidelijk dat het meer aansloeg als volwassenenroman. De taboeonderwerpen zoals dronkenschap, overspel en homoseksualiteit, het onverwachte vertelstandpunt, die atheïstische blik op een Bijbelverhaal. Bovendien merk je dat de voorkennis over de verhalen van Genesis bij jongeren er niet meer is, terwijl die wel cruciaal is voor het begrijpen van de roman. Mensen zien een boek gebaseerd op een Bijbelverhaal en denken meteen dat het een soort christelijke propaganda is. Volwassenen waren net geïntrigeerd door die onorthodoxe hervertelling van een hun bekend verhaal. Toen het boek hier bij ons als in een versie voor volwassenen werd heruitgegeven, legden de boekverkopers het nog steeds tussen de jeugdboeken. Je kunt dat beeld achteraf blijkbaar toch niet meer bijsturen. Dit gezegd zijnde: doorgaans is die marktzetting mijn zorg niet. Ik discussieer er graag over met mijn uitgever, maar ik hou steeds voor ogen dat ik aan de productiekant sta; de receptiekant hoeft mijn bekommernis niet te zijn. Het komt er toch altijd op neer dat er een genre-muurtje rond je werk wordt gezet. Mijn uitgever noemde me een ‘niche-auteur’. Dat geeft de koper blijkbaar houvast.

Moet een schrijver het podium op?
Men gaat ervan uit dat je, omdat je schrijft, meteen ook de bühne op kunt met je teksten. Alsof elke schrijver per se iets theatraals heeft dat van hem in één moeite door een podiumdier maakt. Sommige Vlaamse schrijvers ‘pakken’ niet op het podium, maar zijn ze daarom slechtere schrijvers? Anderzijds zijn er heel wat auteurs wier werk heel wat minder succes zou hebben als ze toevallig niet zo mooi konden voordragen. Hoe je die tegenstelling oplost, weet ik ook niet hoor. Ik sta graag op het podium, maar ik sterf als van mij wordt verwacht dat ik een rolletje speel. Ik heb geleerd “hoe dat moet,” optreden, maar het podium zal nooit mijn biotoop zijn. Tegelijkertijd blijft schrijven wel een erg eenzaam beroep, dus het is fijn om af en toe mensen te ontmoeten en het over je werk te hebben. Lezingen voor leesclubs, scholen en bibliotheken geef ik zeer graag. Op zo’n moment heb ik de voldoening dat ik doe aan lees- én schrijfbevordering. Ik probeer mensen aan te zetten om te lezen, maar dat hoeven niet per se mijn boeken te zijn. Ik vind het gênant dat mensen mijn boeken lezen.

Hoezo?
Omdat de mensen in mijn ziel kijken. Ik schrijf nooit autobiografisch, dus het is niet zozeer dat de lezer te dicht bij mijn privéleven komt. Maar mensen maken tijd vrij om kennis te nemen van wat je geschreven hebt. Multatuli schreef: ik wil gelezen worden. Ja, natuurlijk wil ik dat ook. Maar als ik er nu eens voor kon zorgen dat die boeken pas na mijn dood verschenen? Er valt iets voor te zeggen om bij leven een heleboel manuscripten klaar te maken en ze postuum vrij te geven. Het heeft ook te maken met angst om afgewezen te worden; het is méér dan louter bescheidenheid. Een boek is zo teer. Verdraagt het wel kritiek? Je weet zelf immers ook dat het niet perfect is. Op zich doe je iets dat te zot is voor woorden: je verzint een verhaal, je maakt je geen zorgen te maken over de band met de realiteit maar je verwringt haar. Als ik ervoor kon kiezen om veiliger boeken te schrijven zou publiceren me niet zoveel zorgen baren. Na 25 jaar in het vak weet ik wel hoe een klassieke jeugdroman eruit zou kunnen zien. Maar ik heb alleen plezier aan mijn werk als er een onveilige dimensie aan zit. Schrijven is een kwestie van erop of eronder: je zult scènes schrijven die bepaalde lezers doen afhaken. Daarin zit het tere, kwetsbare van het boek. Ik wil mezelf niet inkapselen tegen de mogelijke ongeloofwaardigheid van mijn verhaal, want dan is er geen uitdaging meer aan. En tegelijkertijd denk je: wat ben ik aan het doén? Deze ene passage kan mijn hele boek verknallen!

Op de Schrijfdag ga je in debat over de kwestie “Is het boek beter dan de film?” Je roman ‘Vallen ‘ werd verfilmd en je werk was de basis voor enkele kortfilms. Wat vind je ervan als cineasten met je boeken aan de slag gaan?
Ik vind het spannend om te zien wat een ander met mijn materiaal doet. Wat als het eindresultaat je niet bevalt? Al beseft het publiek ook wel dat de film en het boek niet samenvallen. Ik ben daar heel ontspannen in: de film is een ander, zelfstandig artefact, geïnspireerd door iets dat ik heb aangeleverd. Ik voel me niet aangesproken door kritiek op de film.

“Vallen” is een verhaal met een duidelijke waarschuwing voor het neofascisme in de jaren ’90, midden in Zwarte Zondagen. Zou je een dergelijke roman anno 2012 nog schrijven?
Ik zou het zeker opnieuw doen, misschien met een nog grotere urgentie dan destijds. Je mag niet vergeten dat dat boek ook in andere landen een gevoelige snaar raakte; het oversteeg de specifieke politieke situatie rond het Vlaams Blok en Vlaams Belang in België. De angst voor extreemrechts leefde elders evenzeer. Bovendien was er in die pre-internettijden –einde jaren ’80 - weinig informatie voorhanden was. Dus schreef ik brieven naar organisaties als het Britse National Front, waarin ik me voordeed als aanhanger van hun gedachtegoed, en zij stuurden me per post tijdschriften en pamfletten. Ik wilde hun populistische retoriek doorgronden. Zolang ik student was stelde die vraag zich niet, want onder gelijkgezinden leefde dat gedachtegoed niet. Maar later, onder kennissen, op trouwfeesten, verzeil je in al die discussies die beginnen met “Ik ben geen racist, maar…” Daar stond je machteloos tegenover. Ik wou weten hoe ik daarop kon reageren. Het toeval wil dat het resultaat een jeugdboek is, dat je generatie na generatie kunt voorleggen aan al die jongeren die zich een bepaald moment met dezelfde vraag geconfronteerd zien. Anno 2012 zou ik over analoge zaken hetzelfde schrijven. Kijk naar de manier waarop er over “de Chinezen” gesproken wordt. Maar historisch valt mijn schrijfpraktijk uiteen in twee helften: voor en na het internet. We zijn vergeten hoezeer het internet alles opengebroken heeft en hoe nu ideeën gecorrigeerd kunnen worden. Zowel het ontkrachten als het verspreiden van bullshit gaat veel sneller dan vroeger. Dus een nieuw “Vallen” zou daarmee rekening moeten houden.

Hoeveel discipline heb je als schrijver nodig?
Schrijven vereist voor mij geen discipline. Als je mij liet doen, zou ik niets anders doen. Ik heb discipline nodig om eens achter mijn schrijftafel uit te komen en te gaan sporten, bijvoorbeeld. Maar da’s het lot van een schrijver: zelfs als je naar een film kijkt of gewoon zit te eten, wil je vooral verder gaan schrijven. Nu goed, met drie kinderen is er aanleiding genoeg om dat bureau te verlaten Ik zit hier niet enkel om te schrijven, overigens. Er komt heel wat administratie bij kijken. En interviews.

De eenzaamheid van het beroep: moet je die letterlijk nemen? Hoe moeilijk is het die tijd met jezelf door te brengen?
Het is geen letterlijke eenzaamheid: ik heb een grote familie en vriendenkring, dus ik ben nooit alleen. Daarom probeer ik twee keer per jaar writer-in-residence te zijn om echt in afzondering te kunnen werken, al slaat skype ook daar weer barsten in. Dan zit ik in Estland en moet ik via internet mijn dochter helpen zoeken naar haar zwempak. Voordeel is wel: skype kun je uitschakelen, thuis kan dat niet. Ik zie mijn vrienden veel te weinig, omdat ik zoveel zit te schrijven. Maar wanneer we elkaar dan ontmoeten, is de eerste vraag wel steeds: “Wanneer is je volgende boek klaar?”
Het aspect van “met jezelf te werken” problematiseer ik niet. Je werkt wel jarenlang aan een project dat nooit getoetst wordt: misschien ben je jarenlang verkeerd bezig. Al zal ik dat gevoel pas krijgen wanneer mijn manuscript mij niet meer roept en ik met tegenzin naar mijn werkkamer toe trek. Daarin ben ik genadeloos: een boek waaraan ik niet meer met volle goesting kan werken, vliegt de koffer in.

Is het moeilijk om een verhaalwereld op poten te zetten?
Ik worstel niet met mijn personages. Waarom zou ik? Ik ben toch hun baas? Ik kan me kortom niet voorstellen dat mijn personages een eigen leven gaan leiden. Met de vertelling worstel ik veel harder; de plot is cruciaal. Als een karakter zich niet gedraagt zoals het moet wil dat zeggen dat er iets scheelt aan de opbouw. De psychologie zit in het verhaal, ik ga die niet expliciteren. Mensen kunnen zichzelf wel psychologiseren, maar dat wil niet zeggen dat ze zichzelf ook kennen. Als iedereen gewoon was wat hij dacht dat hij was, waren we geen interessante soort. Schrijven gaat over het feit dat we onszelf zo ontzettend slecht begrijpen. Ik wil in mijn teksten de directheid van iets dat je overrompelt, in plaats van de traagheid van de analyse. Die basiservaring is belangrijk. Toen ik jaren geleden enkele literaire prijzen in ontvangst nam, kon ik dat gebeuren niet belangrijker vinden dan het feit dat mijn kind op dat ogenblik de borst moest krijgen. We onderschatten de rol van die directe fysieke ervaringen bij alles wat we doen en beslissen. Als schrijver dwing je lezers in die fysieke beklemming van een ander. Ons lijf, dat harnas dat ons bewustzijn omknelt, wordt tijdelijk vervangen.

Een tip voor onze schrijvende lezers?
Heb je een uurtje? (lacht) Het feit dat we kunnen verwoorden onderscheidt ons van de dieren. Dus hoe meer we kunnen verwoorden, hoe menselijker we worden. De schrijfdaad emancipeert en vermenselijkt: iedereen kan zich vaardig maken in taal. Begin met dagboeken en brieven, mails, blogberichten. Zo leer je het vak. En meer technisch: schrijf in de tegenwoordige tijd, schrijf in de eerste persoon. Experimenteren kun je daarna nog. Begin niet aan je verhaal als je nog niet weet waar je naartoe wil. Zet eerst je lijnen uit. En probeer iets nieuws te vertellen. Blijf bij je lijf, maar probeer terzelfder tijd ook zo ver mogelijk weg te gaan van jezelf. Stuur je ik-personage op reis, maak het enkele decennia jonger of ouder dan je zelf bent, situeer het in het verleden. En vooral: hecht je niet te snel aan een bepaald genre. Niet iedereen moet romans schrijven; schrijven is niet noodzakelijk fictie schrijven.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!