| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Is dit een kind?

Mijn zoon wordt binnenkort elf. Hij heeft de kop van een tiener: bleek, verwaaid, maar vol van logica, kritiek en spot. Hij wacht. Hij kijkt, luistert, herhaalt, onthoudt. Oogcontact maakt hij niet. Hij kijkt langs je heen, doet alsof hij met iets anders bezig is, maar ik kan zijn aandacht haast ruiken, de concentratie waarmee hij gesprekken opslaat.

Als hij speelt is het als een toegeving, alsof hij wil aanvaarden dat spelen zowat het enige is dat de tijd zal doen verstrijken, de voorwaarde om snel naar de volgende dag over te kunnen gaan. Alleen in een warm bad speelt hij met overgave, alsof de gewichtloosheid hem bevrijdt, of goed gevangen houdt. Veelal speelt hij in de buurt van spiegels, kijkend naar zichzelf, een duel voerend met zijn evenbeeld, blazend van vechtlust, zich iedere seconde van zijn voorkomen bewust.

Zijn lange glanzende haar veroorzaakt een eeuwig misverstand, de vergissing van zijn lijf; het rekent erop dat het hoekig wordt, maar er is geen haargroei, zijn borst vlak en glanzend, de ribben naar binnen gericht als om zijn organen klein te houden, het uitzetten van zijn gestel tegen te gaan. Onbekenden spreken hem aan met ‘juffrouwke’, met zijn fijne trekken, met de lintjes om zijn pols, zijn halsketting, zijn ranke vingers. Zijn benen zijn onverwacht zwaar, haarloos, breder dan je bij dat bovenlichaam verwacht, alsof hij in kalkverf heeft gestaan, alsof er opzettelijk een laag op is aangebracht om hem er stabiel te laten uitzien, en indrukwekkend, mannelijk misschien.
Hij lacht.
Hij lacht op de momenten dat wij lachen, hij weet waarom, hij begrijpt de toespelingen. Of hij lacht niet, kijkt alleen maar verrast, wikt en weegt, weigert een woord uitleg te vragen. We komen niet tussen, een verklaring zou hem vernederen, hij gaat opzij zitten om erover na te denken, de benen opgetrokken, altijd op sokken. Soms lacht hij om ons. Om ons gekibbel, om de kleine huishoudelijke opdrachten die ik hem geef, en het ongeduld dat daarin doorklinkt. Hij onderneemt niets wat ik hem niet nadrukkelijk vraag. Waar hij komt laat hij sporen na: een jas, een tas, elk voorwerp dat hij afwerpt blijft liggen. Hij raapt dingen uitsluitend op om naar zijn rust te kunnen weerkeren, om zijn wachttijd te kunnen uitzitten zonder dat die door de banaliteit van mijn orders wordt verstoord.

‘Saai’ is het woord dat hij bij voorkeur bezigt. Alles wat hij al een keer heeft gehoord wordt van dat etiket voorzien. Hij minacht de herhaling, wil geen twee keer dezelfde video zien, kan mijn repetitieve handelingen in het huishouden niet begrijpen, kijkt ernaar alsof ik aan verstandsverlies lijd, meewarig en met een deernis die hij openbaart door zich terug te trekken op een plek waar hij het niet hoeft aan te zien. Oefening doet hem schokschouderen, hij heeft de indruk dat alleen kinderen eraan worden onderworpen, het is een kwelling door volwassenen verzonnen, overtollig. Nieuwheid is wat hem boeit. Altijd is hij klaar om over te gaan tot het volgende, het nog niet verkende, met onuitputtelijke energie, gulzigheid eigenlijk. Hij lijkt te beseffen dat zijn verveling nuttig is, dat die grote vijand hem een dienst bewijst door hem te besluipen midden op de dag: sloom verzint hij iets nieuws om het oude te vergeten, en voor hij het weet is hij geestdriftig, lijkt het alsof hij nooit meer iets anders zal doen.

Zijn kinderlijkheid komt alleen terug als er suiker in de buurt is. Altijd is hij op zoek naar zoet genoegen, en hij vindt het dankzij een alertheid die iets dierlijks heeft: hoe afwezig hij ook lijkt, het geritsel van een papieren zak, de suggestie van traktatie, wekt zijn zintuigen en zijn aandacht. Hij springt op, staat vooraan in de rij, versiert het grootste part. Hij is een eerstgeborene, een gunsteling, en die positie kan hij niet verspelen, meent hij, net zo min als hij zich kan overeten, beroerd kan worden, ellende kan ervaren. Van elke seconde is hij zich bewust. Ook zonder horloge kan hij de tijd tot op de minuut schatten, hij staat zichzelf niet toe de tijd te vergeten. Zijn schema, de plannen die hij heeft in de vooropgestelde volgorde uitvoeren, houdt hem nauwgezet bezig. Hij is waakzaam en gretig. Hij bedenkt manieren om tijd uit te sparen, geen tijd te verliezen, ook al kan die niet snel genoeg vooruit gaan.

Ik kijk naar hem en vraag me af, is dit een kind? Is dit waar recensenten het over hebben als ze zeggen ‘Dit boek gaat over het hoofd kinderen heen,’ of ‘Een kind begrijpt dit niet.’ Ik weet niet wat kinderen begrijpen, ik weet niet wat mijn eigen zoon begrijpt, ook niet wat om het even wie in mijn omgeving begrijpt. De dingen begrijpen, of stellen dat je de dingen ooit kan begrijpen, lijkt me onzinnig, nauwelijks nastrevenswaardig. Erin worden ondergedompeld, ze over je heen krijgen, je eraan laven, lijkt me de manier om om te gaan met wat je pad kruist. Een grens stellen aan wat mijn zoon begrijpt zou impliceren dat ik hem kan peilen, dat ik hem begrijp, en dat doe ik niet.

Anne Provoost

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!