Nieuws
Werk
   -Alle
   -Ebooks
   -Luisterboeken
   -Bewerkt/Verfilmd
   -Vertaald
   -Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Dissertaties
   -Favorieten

Audio/Video
Foto's
Contact

Fragment

(pdf)


De laqué schoentjes van Anna

Hun moeders maken voor ieder een pakzak, een ‘bazatse’. Ze stoppen er ondergoed en sokken in, een washandje en een nachtpon. Ze schrijven op een steekkaart de naam van het kind, wanneer het is geboren, of het zijn communie heeft gedaan, op welk adres zijn familie is gevlucht, en welk beroep zijn ouders willen dat het later uitoefent…. Hun vader knoopt de oudsten in de oren dat ze voor de jongsten moeten zorgen. Hij maakt de zolen van hun laarsjes vast, klopt doorgeschoten spijkers terug, en smeert met ossenvet het brosse leer tot in de naden in.

Anna’s voeten zijn erg gegroeid de voorbije maanden. Haar tenen zitten geklemd, de doorgeef-schoenen van haar zussen zijn er niet meegekomen tijdens de vlucht, en er is geen tijd meer om er nieuwe te laten maken. De schoenmaker heeft nog een zondags paar dat haar past, stadse modegevalletjes van glimmend laqué, niet erg praktisch voor een reizend kind, maar omdat Marie-Louise – met de feilloze intuïtie van een moeder – beseft dat laqué schoentjes een moeilijk afscheid draaglijk zullen maken, koopt ze ze zonder aarzelen. Ze strooit er talk in omdat het kind ze niet meer zal kunnen inlopen voor ze vertrekt.

De kinderen kleden zich na de vroegmis om, twee hemdjes over elkaar, een te warm vest voor de tijd van het jaar, daar bovenop toch nog maar een jas – ‘omdat het zo ver van hier heel ander weer kan zijn dan bij ons’. Rond hun nek, aan een stuk touw, een schapulier en een medaillon van Onze Lieve Vrouw, en hun steekkaart met aan de voorkant in goed leesbare letters hun leeftijd en voornaam. Ze lopen met hun bazatse over hun schouder naar het boerhof van Devloo, tot zo ver nog samen met hun vader en moeder, grootouders, broers en zusjes. Wachtend aan de bareel zien ze ze van alle kanten komen in stoet over de wegels, ‘de kolonisten’, de kinderen uit boerderijen en vluchtelingenbarakken die net als zij naar Frankrijk gaan ‘om te leren’. Uit de richting van Stavele, net als de kinderen zwoegend in veel te warme kleren, de donkere, kegelvormige gestaltes van de Zusters Paulienen, hun habijten en kappen zorgvuldig gesteven voor de grote reis naar Parijs. Vervolgens, nadat de kinderen zijn geteld en de lijst is overlopen, het aarden pad naar het veerpont op, hun moeders met slepende voeten, hun vaders weggedoken onder hun petten of hoeden, hun grootmoeders met hun gehaakte omslagdoeken strak om hun schouders, alsof ze zich klaar houden voor een intense koude. Op de aanlegkade geven ze de kinderen een aai over het hoofd, een kruisje, sommigen een ‘pieptje’, herhalen met onvaste stem voor de zoveelste keer dat ze braaf moeten zijn, dat ze moeten luisteren naar de zusters, dat ze hun best moeten doen op school, dat ze meteen bij aankomst een briefje moeten schrijven om te zeggen waar ze gelogeerd zijn, zodat ze mekaar kunnen terugvinden na de oorlog. Dan gaan zitten, beheerst en kalm op het schommelende veer, en met acht per keer naar de overzijde, in meerdere bewegingen, tot op de ene oever zich de zusters en de vertrekkende kinderen bevinden, op de andere alleen nog de thuisblijvers. Daarna nog één keer zwaaien, en in het arcadische landschap van elkaar wijken, de vrouwen met een hoek van hun voorschoot hun ogen deppend, de mannen hun neus snuitend in grote blauwe zakdoeken. De ouders en familieleden gaan oostwaarts terug naar hun barakken en hun boerderijen, allen met de dood in het hart omdat ze niet weten hoe lang ze zullen zijn gescheiden, de vertrekkende meisjes en jongens weg van de IJzer in de tegenovergestelde richting, de kleinsten aan de hand van de groten, flink doorstappend om hun meesteressen bij te houden, Anna gesterkt door haar stugge maar erg Parijse laqué schoentjes.

De dieseltram in Beveren zit al vol kinderen die zijn opgestapt in de Melkerij van Poperinge. Ze schikken op voor die van Stavele, en samen sporen ze verder over Leisele en Houtem door ’t Blote naar Veurne. Omdat zich daar de onverzadigbare oorlog bevoorraadt, met kanonnen, caissons en munitie, is dit de gevaarlijkste plek van het Belgische front. Het station is een aanhoudend doelwit voor de Duitsers, dus de dieseltram houdt zich op het Westelijk spoor, gaat naar de goede kant, de Franse kant van de stad tot aan de buitenwijk Petit Paris. Van daar moeten de kinderen te voet anderhalve kilometer verderop naar de Posterie, waar op een spoorweg die een aardappelveld van een bietenveld scheidt een trein klaarstaat met een locomotief onder stoom. Er lopen van alle kanten kinderen op af, ze worden met paardenkoetsen aangevoerd, met ambulances, of komen te voet van over de duinen gewandeld. De spoorwegbedienden stapelen hun pakzakken in de bagagedragers. De begeleiders – kantonnaal opziener Hellebuyck, vijf meesters, de vijf zusters Paulienen en negen zusters Annunciaten – verspreiden zich over de wagons. Ze doen wat ze kunnen om onder de honderden kinderen die ze nog nooit hebben gezien, en waar ze de naam niet van kennen, de orde te handhaven. Tegen vijf uur maken spoorwegbedienden met gebonk van metaal op metaal de portieren dicht en trekt zich de trein op de kracht van zijn hitte in beweging. Het laatste wat de familieleden in het bietenveld nog van hun kinderen zien zijn hun wuivende handjes aan de coupéraampjes. De trein trekt de grens met Frankrijk over, steeds verder gevrijwaard gebied in, over Boulogne, naar Etaples en Noyelle, langzaam, bijna stapvoets, om niet de aandacht te trekken van de Duitsers. Bij het vallen van de avond gaat hij met gedoofde lichten langs Abbeville en Amiens, telkens weer halthoudend, wachtend, op toestemming, op afstemming met de seinpostbedienden, met de baanwachters en de lampenisten. Allen zijn zich bewust van het bijzondere cargo dat hier vordert: 159 meisjes en 143 jongens, onschuldige, onbeschermde vluchtelingenkinderen, de jongste vier, de oudste niet ouder dan vijftien en een half, de laatste kinderen van het land die nog niet in handen zijn van de Duitsers, de generatie die straks de natie weer zal moeten opbouwen, l’Espoir de la Belgique. Ze doorkruisen Creil en Pierfitte in de ochtendschemer. Achter de lichter wordende ramen hoge huizen met balkons en smalle luiken, tientallen schoorsteenpijpen op de daken, ezels en koetsen in de straten, werkvolk dat onder halo’s van elektrische lantaarnpalen in het vroege ochtenduur naar de miljoenenstad optrekt, onder hoeden en op lederen schoenen, niet in werktenue, maar à la mode. De kinderen die ontwaken moeten plassen, hebben dorst, willen gaan staan en door de wagon bewegen. Als ze ter hoogte van Saint-Denis de contouren van de basiliek ontwaren, meteen erna ook die van de Tour Eifel, zetten de oudste jongens een gejoel in dat de anderen voorzichtig ondersteunen. Ze schieten hun jassen aan, zetten hun petten en hoedjes op, hangen hun gepak kruiselings over hun schouder, en drukken zich in het gangpad tegen elkaar op. Als de trein de Gare du Nord binnenrijdt komen van alle kanten spoorwegbedienden toegesneld om de kinderen te helpen. Ze nemen hun bagage aan, reiken hen de hand op de hoge treeplank. Als ze vervolgens met een sprong op Parijse grond terecht komen, blijven ze als versteend staan, beduusd van het gewemel van reizigers, krantenjongens, kruiers, bedelaars, tabaksverkopers en straatvegers, verschrikt door de stationse geluiden die onder de koepel van glas en metaal weergalmen: uitblazende stoomvaten, piepende remmen, spoorwachters die reizigers toeroepen, schril gefluit. Aangepord door hun begeleiders, tegen elkaar op lopend van het rondkijken, bewegen ze richting de spoorwegbumpers tot bij een groepje deftig uitgedoste mannen en vrouwen, de heren met bolhoeden, de dames met rokken tot op de enkels, ingesnoerde tailles en hoeden op gecoiffeerde kapsels: senator Louis-François Empain, volksvertegenwoordiger Emile Brunet, en een tiental vrijwilligers van het Foyer van Maria van Rysselberghe. Bij de post van het Rode Kruis staan achter schragentafels vrouwen in verpleeguniformen en mannen met opgerolde hemdsmouwen. Ze geven de kinderen melk en brood. De kinderen nemen het brood aan zonder erin te bijten. Ze nippen van de melk maar houden hun ogen aandachtig opgeslagen, de wemeling om hen heen schuins gadeslaand, met al die nieuwe Parijse verschijningen, jongelui met borsalino’s diep over de ogen, kinderen op steps, bakkersjongens met linnen mutsen op de punt van hun schedel, … de algehele stationse drukte die boerenkinderen niet kennen. Ze bewegen nauwelijks, draaien hooguit nu en dan een kwartslag om hun as, er nauwgezet over wakend om niet door de anderen te worden verdreven, hun positie in de binnenzijde van de groep te behouden, niet in de zijkant terecht te komen, als bange dieren die vertrouwen op hun soort.

Ze gaan het gebouw uit, het stationsplein over en het trottoir langs, onder de bomenrij van de Boulevard de Dénain, voorbij de tientallen geparkeerde stootkarren, tombereaus, White Chapel-koetsen en bourbonnaises, tot bij een lange rij stationair draaiende char-à-bancs, motor-omnibussen van Thomas Cook, met chauffeurs in zwart livrei die hen doen instappen, twintig kinderen per voertuig, op de voorbank een begeleidende zuster of een meester. De colonne automobiles volgt de Boulevard Saint-Michel richting Saint Germain des Prés, gaat de Rue de Sèvres af tot aan de het plein en de kerk Saint Sulpice, en houdt stil op het plein met ‘de Fontein van de Bisschoppen’, een huizenhoog sculptuur met vier rug aan rug getroonde manspersonen omringd door stenen leeuwen. Aan het gietijzeren traliewerk langs de oostzijde van het plein staat een groep gendarmes. Met hun jaspanden uitstaand, de klep van hun uniformpet diep over hun ogen, hun ene been afwachtend opgetrokken en een voet in het traliewerk gehaakt een rij zwaluwen lijkend die een nieuw seizoen afwachten om zich in glijvlucht van elkaar te verwijderen. Zodra ze de char-à-bancs opmerken komen ze in beweging. Ze helpen de kinderen uitstappen, nemen stukken bagage van hen over, leiden hen binnen in het met gietijzer omheinde gebouw – donkere arduinsteen, vier verdiepingen hoog, per verdieping zeventien boogramen, een geprononceerde toegang van gemetselde zuilen – waar de seminaristen bij de invoering van de Wet op de Congregaties hardhandig zijn uitgezet, en dat jarenlang het depot is geweest van het een paar honderd meter verderop gelegen Musée de Luxembourg. Bij het uitbreken van de oorlog zijn de kunstwerken en schilderijen door de invoelende gendarmes opzij geschoven. Na een opknapbeurt van enkele weken hebben ze een stadje in een stad gecreëerd, met een dokterspraktijk, wasserijen, eetzalen, kamers met kleine fornuisjes, en het als Secours beschikbaar gesteld voor de tienduizenden vluchtelingen die de Parijse binnenstad in stroomden, uit Artois, Picardië, Champagne, Antwerpen, Ieper, Reims, en Soisson. De vrouw van Paul Peltier gaat elke ochtend naar Les Halles om de verkopers aldaar ervan te overtuigen hun onverkochte waren te doneren. Het voedsel wordt in de keuken door de echtgenotes en de dochters van de gendarmes bereid. Tegen dat de kinderen uit de Westhoek aankomen zijn er in de Secours al bijna twintigduizend vluchtelingen gepasseerd. Ook hier weer staan vrijwilligers hen op te wachten, opnieuw van die ranke verschijningen met rechte rokken en zijden blouses met kraagjes van broderie en witte manchetten. Dit keer zijn het de vaste medewerksters van Edith Whartons Oeuvre des Enfants de Flandres. Ze nemen de zusters en de meesters apart om papieren te overhandigen, het protocol van de komende dagen te bespreken, en hen het gebouw te leren kennen. Ondertussen worden de kinderen door de gendarmes meegenomen, eerst naar een plek om hun pakzakken te deponeren, dan naar het sanitair. Niemand die eraan denkt dat de kinderen alleen maar een plank met een gat in gewoon zijn, dat ze nog nooit zo’n witporseleinen plateau met twee voetsteunen hebben gezien, en dat ze niet weten hoe ze een Frans ‘vertrek’ moeten gebruiken. Ze gissen, proberen, morsen, en behelpen zich met hun zakdoek. Het deert niet zo voor de kinderen met bottines, maar het is lastig voor een meisje op laqué schoenen.

Er komt een barbier langs om de jongens ‘scharre’ te scheren. Voor de meisjes is er een Franse vrijwilligster die, met meer geduld, staartjes en vlechten losmaakt en boven een wit blad papier begint te kammen. De kinderen ondergaan de opeenvolgende behandelingen van de vrijwilligers en gezondheidswerkers als vissen op het droge, met verstomming geslagen bij de efficiëntie en redelijkheid van mensen die ze niet kennen, die hun taal niet spreken, maar zich desondanks over hen ontfermen. Tegen vier uur in de middag moeten ze opnieuw naar de réfectoire, nu voor een boterham met smout, en meteen daarna naar de Petite Salle, waar beddenzakken van grijs en wit gestreepte tijk op de stenen vloer zijn uitgespreid. Het zijn er maar honderd voor driehonderd kinderen, dus moeten ze gaan liggen per drie, uitgekleed tot op hun hemdje, hun kleren aan hun voeteneinde. Zodra ze slapen gaan de wassers van de Secours de beddenzakken langs om alle kleren op te halen. Veel gerief is tot op de draad versleten. Moeders en grootmoeders zijn met hun verstelnaalden in de weer gebleven tijdens de vlucht, maar de stof is verschraald en ontbrekende knopen zijn vervangen door stukken touw. Wat nog bruikbaar is, wordt gestoomd, gewassen, versteld, en in de cyclus gebracht van de oorlogskleding. Als de kinderen de volgende ochtend wakker worden, moeten ze in hun hemd aanschuiven bij ‘het depot’, waar stapels en stapels door Parijzenaars gedoneerde kleding voor hen klaarligt, min of meer geschikt per geslacht en per leeftijd. Een Franse vrijwilligster helpt de kinderen iets uit te zoeken, verstelt indien nodig tot de stukken min of meer passen. Van haar verblijf in het transitcentrum Secours de Guerre van Saint Sulpice is dit wat Anna haar hele leven zal onthouden. Dat de nacht dat haar kleren werden gehaald ook haar laqué schoentjes waren verdwenen. Ze doorzocht met haar zusjes de Petite Salle, deed navraag in de wasserij en in het depot, en kreeg te horen dat ze op haar spullen moest passen omdat door de vluchtelingen voortdurend werd gestolen. De zusters Paulienen, die wel wat anders aan hun hoofd hadden dan een paar zoekgeraakte meisjesschoenen, gaven haar gedoneerde bottines uit het depot om mee tot aan de kolonie te lopen. De inzet van tientallen welwillende gendarmes, vrijwilligers, donateurs en overheidsinstanties, die al maanden hun uiterste best deden om het lot van de vluchtelingen te verbeteren, werd in het hoofd van het negenjarige meisje dat later mijn grootmoeder zou worden gewist door één iemand die zich niet had kunnen inhouden, en aan de haal was gegaan met een paar stadse modegevalletjes van glimmend laqué.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!