| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Begroeting

Begroeting van Anne Provoost bij haar intrede in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde
door Dr. Hendrik van Gorp

Geachte Collega’s,
Dames en heren,

Met de intrede van Anne Provoost in onze Academie beleven wij vandaag een bijzonder moment. Historisch wil ik het niet noemen. Dat woord wordt al te gemakkelijk gebruikt. Maar toch: de intrede van Anne Provoost zorgt meteen op een aantal domeinen voor verjonging en vernieuwing. Een dertiger in de Academie. Het is geen alledaags gegeven. Samen met de veertiger Dirk Geeraerts verlaagt zij met één klap het leeftijds-, of moet ik zeggen ouderdomsgemiddelde van deze eerbiedwaardige instelling met meer dan een procentpunt, terwijl het onevenwicht tussen mannelijke en vrouwelijke leden eveneens verkleint. Maar dat zijn, zoals u wel zult begrijpen, niet de redenen waarom Anne Provoost tot kandidaat lid van onze Academie werd voorgedragen. Wel dat zij in het letterenveld een bijzondere plaats inneemt. Wij inaugureren vandaag plechtig in de persoon van Anne Provoost, datgene wat, vaak met een ongepast negatieve connotatie, jeugdliteratuur wordt genoemd. Die maakt het overigens niet zo slecht, zoals de hier aanwezige ouders en grootouders best weten. De academie wou niet ten achter blijven bij de ‘upgrading’ die zich de jongste jaren in Vlaanderen en elders heeft gemanifesteerd. Aan onze universiteiten worden er cursussen aan gewijd. De boekenbijlagen in onze kwaltiteitskranten besteden er aandacht aan. En aan bekroningen – denken we maar aan de Gouden Uil en de Boekenleeuwen- en boekenwelpen – is er geen gebrek. Die opwaardering is er mede gekomen omdat de aard van het jeugdboek, wellicht onder invloed van auteurs zoals Aidan Chambers, grondig veranderd is. En dit geldt vooral voor zogenaamde adolescentenliteratuur. Anne Provoost heeft in die opwaardering hier bij ons een belangrijke rol gespeeld.

Zij werd geboren op 26 juli 1964 in Poperinge. De schrijversmicrobe had haar al vroeg te pakken:”Ik schreef mijn eerste verhalen voor ik kon schrijven”, zo vertelde ze in een interview in 1995, “ik dicteerde ze aan mijn moeder.” In de lagere school volgden schriftjes vol fantasieverhalen, door haarzelf geïllustreerd. Daar kwamen nadien dagboeken bij waarin zij feiten leerde beschrijven en gevoelens verwoorden. Geen wonder dus dat zij Germaanse Filologie ging studeren, eerst in Kortrijk, daarna in Leuven. Zij deed er nog een jaar Psychologische en Pedagogische Wetenschappen bovenop in het verlengde van haar licentiaatsverhandeling. Na haar studies verbleef zij anderhalf jaar in de Verenigde Staten, waar zij werkte in een kinderdagverblijf, terwijl haar man, Manu Claeys, er aan de universiteit van Minneapolis studeerde. Sinds 1996 is ze zelfstandig auteur en woont ze met haar man en drie kinderen in Borgerhout. Toch had Anne Provoost tijdens haar universitaire studies niet echt een schrijverscarriere op het oog, al ontpopte ze zich in scripties tot iemand die erg vlot met taal kon omspringen. Dat was o.m. het geval in een scriptie van jou, Anne, die ik toevallig – maar wat is toeval – heb bijgehouden. Je zal er je niet veel meer van herinneren, maar de titel wil ik jou en het publieke niet onthouden omdat hij zo ‘vertellend’ overkomt. [Hij luidt zo]: “Over hoe Reynaert de Vos in de twaalfde eeuw heel stout was en dat achthonderd jaar later nog wel is, maar nu toch ook nog wat anders doet dan alleen maar stout zijn” (einde citaat). Het betrof een scriptie waarin je een aantal oudere en twintigste-eeuwse versies van dit dierenepos met elkaar hebt vergeleken, iets wat je later nog wel hebt gedaan. Maar mij is bij herlezing bijzonder opgevallen hoe je toen reeds begon met vragen te stellen. “Het komt wel meer voor”, schrijft je in de inleiding, “dat bij de studie van een bepaald literair probleem de vraagstelling interessanter blijkt dan het uiteindelijke antwoord…”. Je was toen twintig. Met betrekking tot je eigen creatief werk zou je deze beschouwing, denk ik, ook nu nog, twintig jaar later, beamen.

Dames en heren,
Het creatieve oeuvre van Anne Provoost begon eigenlijk toen zij in het laatste jaar Germaanse een tijdje ziek te bed lag. Ze schreef er een verhaal dat tot haar eigen verbazing de eerste prijs wegkaapte in een literaire wedstrijd van Germania. Een jaar later won ze de tweede prijs in een verhalenwedstrijd van Knack Weekend. Vanuit Minneapolis stuurde ze op geregelde tijdstippen naar het thuisfront vlot geschreven verhaaltjes over het reilen en zeilen van haar verblijf in de States en begon ze aan de eerste versie van Mijn tante is een grindewal, een versie die ze een enkele jaren bewerkte en herwerkte, zoals ze het ook met haar latere werk zou doen; want Anne Provoost is een perfectioniste, geen veelschrijfster. Zij hecht groot belang aan een goede plot en verhaalopbouw. Haar belangrijkste bekommernis lijkt wel: wanneer welke informatie aan de lezer prijsgeven. Ook aan jeugdige lezers, want die onderschat ze niet. Integendeel, ze moeten wel eens op de toppen van hun tenen gaan staan, maar als ze die moeite doen loont het ook. De herwerkingen die aan haar debuutroman voorafgingen liepen parallel met andere vingeroefeningen, o.m. een verhaal in Jonge Sla, een bundel met werk van opkomend Vlaams talent, en een jeugdtheaterproject Stukschrijven waarmee zij het vak leerde; want Provoost was en blijft een poeta faber, die de ‘ars poetica’, of beter, de ‘ars narrativa’, d.w.z. de techniek van het vertellen, van de zorgvuldige opbouw van een verhaal volledig onder de knie wil krijgen. Niet echter techniek om de techniek. Daarvoor was haar maatschappelijk engagement, o.m. in een internationaal uitwisselingsprogramma voor jongeren met de significante naam ‘Youth for Understanding’ te groot. Die brede betrokkenheid, samen met een sterk beeldend vermogen en zin voor sfeerschepping effende voor haar oeuvre als het ware vanzelf de weg naar erkenning en internationale uitstraling. Er zijn weinig auteurs die van bij hun debuut zoveel zijn gelauwerd en vertaald.

De definitieve versie van Mijn tante is een grindewal verscheen in 1990. Het verhaal is gebaseerd op onderzoek naar het raadselachtige fenomeen van strandingen van walvissen dat zij op ingenieuze en indringende wijze weet te verbinden met een incestprobleem waarover niet mag worden gepraat. Stukje bij beetje worden de dingen bespreekbaar en komt de lezer via de jeugdige ik-verteller Anna het angstvallig verborgen gehouden ‘geheim’ van haar vriendin Tara te weten. Geen melodramatiek zoals wel eens in zulke romans domineert, maar een minutieus ontwikkeld verhaal waarin vooral de sfeer belangrijk is en dat de lezer voor een dilemma plaatst. Zoals zij het zelf zegt:”Ik wil de lezer laten voelen wat het betekent als er iets is dat je wil zeggen, maar aan niemand kwijt kunt, het gevoel van ‘als ik niet praat, dan stik ik, maar als ik praat dan ga ik dood, en weten dat er geen derde keus is”. Het moet in zekere zin ook het gevoelen zijn geweest van Anne Provoost als jeugdig schrijfster die haar woorden wikt en weegt, schrijft en schrapt, tot ze zag dat het goed was. De lezers vonden het ook, want de roman genoot ruime weerklank in Vlaanderen zowel als in het buitenland. Hij kreeg bij ons de Vlaamse Boekenleeuw 1991 en de Interprovinciale Prijs voor de Jeugdliteratuur, en werd in diverse talen vertaald.

Het procédé van opzoekingswerk en vraagstelling en de thema’s van angst, schuld en geheim komen in haar later werk in andere contexten duidelijk terug: In 1994 verschijnt Vallen, verteld door de vijftienjarige Lucas. Op het eerste gezicht een klassiek Romeo en Juliet-verhaal, maar, zoals Anne Provoost zelf getuigt in een interview: in feite een gedetailleerd en realistisch relaas dat ‘handelt over de valkuil van het slordige denken: wie geen mening heeft wordt makkelijk door een mooiprater meegetroond’, ook al blijkt dat die mooiprater er extremistische opvattingen op nahoudt. Als schrijfster kent zij uiteraard de gevaren en verlokkingen van de ars rhetorica en bespeelt ze het doen en denken van haar personages. De lezer ervaart hoe de ik-persoon wordt meegesleept in een spiraal van geweld en uiteindelijk een keuze moet maken die nefast is voor het meisje Caitlin van wie hij houdt. Dat is meteen de aantrekkingskracht van jeugdliteratuur die niet belerend wil doen. Het schrijven over en vanuit het perspectief van jongeren geeft namelijk tal van mogelijkheden om van standpunt en denkwijze te veranderen: alles blijft immers open op die leeftijd, alles gebeurt met ’vallen en opstaan’. Anne Provoost troont niet als volwassen en auctorieel verteller boven haar jeugdige personages, maar brengt, om het met de literatuurtheoreticus Bakhtin te zeggen, een polyfoon verhaal waarin vele personages een stem krijgen, zonder dat per sé harmonie en eviodentie worden nagestreefd, laat staan opgedrongen. Ook hier weer meer vragen dan oplossingen; geen retorische vragen, maar steeds vragen rond herkenbare actuele thema’s die te denken geven. De roman heeft zijn doel niet gemist. In 1995, enkele maanden na zijn verschijnen, kreeg Vallen in tien dagen tijd zowel de Woutertje Pieterse Prijs voor kinder- en jeugdliteratuur, als de Boekenleeuw en de eerste Gouden Uil in de categorie kinder- en jeugdliteratuur. Daarna ook nog een Zilveren Griffel in Nederland en, voor de tweede keer, de Interprovinciale Prijs voor Jeugdliteratuur. Voorwaar geen alledaags palmares! Voeg daar nog aan toe dat de roman in meer dan tien talen is vertaald en bovendien ook nog verfilmd.

Begin met zo’n succes dan maar aan een volgende roman. Je bent als het ware vooraf gedoemd om te mislukken. Niet zo Anne Provoost. Ze wacht haar tijd rustig af, maar niet in ledigheid. Ze gooit het over een andere boeg, gebruikt andere ingrediënten, maar blijft zichzelf. Het resultaat, De Roos en het Zwijn uit 1997, is een bewerking van een oeroud sprookje over de schone en het beest, dat de lezer het meest bekend is in de Franse versie van La belle et la Bête en de verfilmingen van Cocteau en Walt Disney. Ik heb er ook reminiscenties aan het sprookje van Amor en Psyche in menen te lezen. De handeling wordt naar Antwerpen getransponeerd en de thematiek ‘gefreudialiseerd’. Anne Provoost laat de jonge Rosalena – mijn meisje van glas, zoals haar vader haar noemt - het verhaal doen van haar noodlottige schoonheid, geprangd tussen zintuiglijkheid en schuldbewustzijn. Het is een verhaal over ontluikende seksualiteit in een wereld bevolkt met sprookjesfiguren en symbolen, op de grens tussen heidendom en christendom. Het Beest in het verhaal, aanvankelijk het afzichtelijke knobbelzwijn Zoran, is de hereboer Thybeert, een verfijnd, maar lichamelijk en moreel afstotelijk man. En het wondere gebeurt: Rosalena verlaat om een ‘schuld’ in te lossen uiteindelijk haar zieke vader, de enige die ze echt liefhad, om het beest te gaan beminnen. Er volgt echter weer geen happy end, geen bevrijdende kus of de belofte van een huwelijk. De Roos en het Zwijn is geen gemakkelijk verhaal, wel een met poëtische intensiteit, waardoor het wint bij herlezing. Ik heb het zelf mogen ervaren nu ik ter voorbereiding van deze begroeting, dit en ander werk van Anne Provoost de laatste weken heb herlezen. Wel heb ik mij meer dan eens tijdens die lectuur afgevraagd wat jongere lezers daarin zo aantrekt, omdat het verhaal zo complex is en veelgelaagd; maar wellicht is het precies dat; wellicht is dat het geheim van Anne Provoosts werk: dat het ook de jonge lezer au sérieux neemt. Meer nog dan haar twee vorige romans heft dit verhaal overigens de grens op tussen jeugd- en volwassenenliteratuur. De bekroningen van De Roos en het Zwijn liegen er alleszins niet om. Het stond in 1998 op de erelijst van de '‘International Board on Books for Young People’', het kreeg in dat jaar ook een nominatie voor de Gouden Uil, de Boekenleeuw en de Gouden Zoen, dat is de ‘'gouden griffel'’ voor boeken in de oudste leeftijdscategorie, en verder tal van buitenlandse prijzen.

In 2001, we zijn dan vier jaar later, verschijnt haar voorlopig recentste werk De Arkvaarders, een epische evocatie van het bijbelverhaal over de zondvloed. Ook hier is het beoogde publiek gewoon de kritische lezer, zij het adolescent of volwassene. Meer nog dan in haar vorig werk heeft Anne Provoost voor haar verhaal opzoekingswerk verricht: bijbelversies opgespoord en vergeleken en tal van historische studies over de oudheid en het Tweestromenland gelezen. De roman is het resultaat van de weg die ze daarbij heeft afgelegd, parallelwegen incluis. De vroegere thema’s komen nog sterker en uitgebreider aan de orde, nu in een duidelijk religieuze context van schuld en boete, uitverkorenheid, opoffering en berouw, uitsluiting en insluiting. Ze worden als zovele vragen via de belevenissen van de protagonisten en gezien door een vrouwelijke ik-verteller die erbij is en er toch niet bij hoort, aan de lezer opgedrongen, zodat hij niet onder de kern van de zaak, eigenlijk van de religie uit kan: ‘Waarom redt de Onnoembare (met hoofdletter) een aantal zogenaamd ‘rechtschapenen’ in de Ark en laat hij de rest van de mensheid verdrinken?’ Deze thema’s worden hier beschreven in een episch brede stijl die aan het gegeven recht doet. Een probleemroman. Ja zeker, maar veel meer dan dat en zeker geen verhaal met wijsvinger. Geen ontmaskering van waarden, wel van waarheden met vervaldatum.. Zoals in haar vorige werk slaagt Anne Provoost erin door gedetailleerde, uitvoerige beschrijvingen van kleuren, geluiden en (vaak exotische) geuren een eigen wereld op te roepen, waarin magie en betovering, zoals in De Roos en het Zwijn, het onwaarschijnlijke verhaal zo met woorden tooien tot het helemaal ‘waar’ is, tot de lezer als het ware gedwongen is zijn ongeloof op te heffen, wat Coleridge genoemd heeft: ‘the willing suspension of disbelief’. En is dat niet precies het wezen van fictie: ‘het opheffen van ongeloof; het kan niet en toch kan het want het staat er. Wat literatuur zo eigen is, anders dan film, zo vertelt Anne Provoost in een interview naar aanleiding van het verschijnen van de Arkvaarders, zijn net die extra’s: de vreemde beeldspraak, de vreemde uitweidingen. Met Bakhtin zou ik zeggen: het vreemde woord, de weerbarstigheid van de taal die op haar materialiteit wordt bekeken en geproefd, die, in de woorden van de schrijfster zelf, ‘de letters en woorden zichtbaar maakt in plaats van ze onder het verhaal te bezemen’ en die, zoals de wat vreemde blik van haar vertelpersonages de realiteit steeds anders doet zien. Het onderstreept eens te meer de voorliefde van Anne Provoost voor grenssituaties van wendbaarheid, kanteling en dubbelheid, van vallen en opstaan, van herkenbaarheid en wrijving, van weten en niet weten. Zij heeft deze thema’s als vanzelfsprekend gepersonifieerd in ik-vertellers tussen jeugd en volwassenheid, maar is erin geslaagd ze ook over te brengen aan een breder publiek van volwassenen dat soms wat ongemakkelijk geconfronteerd wordt met, maar ook gefascineerd wordt door de blik van jongeren. En zoals zij het zelf zegt in haar Annie M.G. Schmidt-lezing van juni laatsleden:‘Het zit hem in die blik’

Dames en Heren,
Uit dit al te korte overzicht van het oeuvre van Anne Provoost mag gebleken zijn dat zij terecht een plaats heeft gekregen in deze Academie. Anne, wij heten je hier welkom als collega en vriend. We hopen je geregeld op onze maandelijkse vergaderingen te mogen ontmoeten en we nodigen je hierbij uit om op een literair salon iets uit werk waaraan je bezig bent te komen voorlezen. Ook al zijn we niet meer van de jongsten, jouw ‘jeugdliteratuur’, Anne, spreekt ons aan.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!