| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Levende schrijvers

Vrijdag 14 mei 2004

Inleiding bij de vernissage 'Levende Schrijvers', de portrettengalerij van Andy Huysmans, op vrijdag 14 mei 2004 in Bibliotheek De Poort te Berchem, door Anne Provoost. De reeks bestaat uit 26 foto's van levende schrijvers.

Foto's: Andy Huysmans

Ik word in het najaar van 2003 opgebeld door Max van ABC2004. Dat ze een reeks foto’s gaan maken van Antwerpse schrijvers, zegt hij. Dat ze ook naar mij een fotograaf willen sturen. Dat er zo veel schrijvers zullen zijn als letters in het alfabet. Dat die foto’s dan in Berchem zullen worden opgehangen en vervolgens een jaar lang zullen rondreizen van bibliotheek naar bibliotheek. Dat ze zullen eindigen in de nieuwe bibliotheek aan het De Coninckplein.

Ik heb wel eens meer een fotograaf over de vloer gehad. De meesten kwamen om een kiekje voor een krant waar de volgende dag de vis in werd gewikkeld. Dit begreep ik, werd dus een ander soort foto, eentje die een jaar lang zou reizen van Berchem naar Staden, van Mechelen naar Aartselaar, van Bree naar Kalmthout, van Beveren naar Wilrijk en van Schilde naar Aalter. Een foto die bijna dag na dag aan een publiek blootgesteld zou worden, driehonderdzesenvijftig dagen lang. Alsof dat niet volstond zou hij vervolgens voor onbepaalde tijd in de nieuwe Permeke-bibliotheek worden opgehangen. Zoiets heet dan een “permanente tentoonstelling”. Dat heeft bijna iets van eindeloosheid. Als ik erover nadenk lijkt me dat best riskant in deze tijd van herbronning en carričrewending. Misschien zijn we tegen die tijd al geen schrijvers meer, misschien zitten we dan al in de politiek of zijn we met het presenteren van een televisiequiz zo beroemd geworden dat niemand nog weet dat we ooit schreven. Ik ben dus wel erg benieuwd naar een project dat zo boud wordt opgezet. Ik zeg Max dat het goed is, dat hij iemand mag sturen. Ze mogen me laten zien wat ze bij ABC2004 bedoelen met zo’n portrettengalerij.

Enige tijd later staat de fotograaf aan mijn deur.

Hallo, zegt hij, ik ben a.

Ik doe open in mijn schrijversplunje, een T-shirt met daaronder een legerbroek en sneakers. Ik ken a een beetje. Ik heb zijn werk gezien op het net en over hem gehoord. Ik was er voor hij aankwam vrij zeker van dat het geen zin had me om te kleden. Niet dat ik niet besef dat een T-shirt en een wijde broek niet afdoend zijn voor de eindeloosheid. Maar ik heb gezien wat hij met zijn modellen uithaalt. Mocht hij dit keer niet van plan zijn gek te doen, dan kan ik me aan deze outfit geen buil vallen. Min of meer tijdloze kleren zijn het, waar vermoedelijk pas in een volgend decennium echt ronduit om gelachen zal worden, en wie weet waartoe heeft de bibliotheekproblematiek tegen die tijd geleid.

A legt een propvolle rugzak op tafel.

‘Ik heb kleren meegebracht,’ zegt hij. Hij maakt de rugzak open. Er vallen kleurrijke blouses en jurken uit, allemaal groot en wijd. De motieven zijn prachtig, er zitten rushes aan en boorden, de borststukken hebben nepen op onverwachte plaatsen. ‘Bomma-kleren,’ noemt a ze. Ik heb een zwak voor spullen met een verleden, dus ik laat ze een voor een door mijn handen gaan, en zonder dat ik het met zoveel woorden hoef te zeggen weet a dat ik bereid ben met hem een poging te wagen het tijdsgebondene aan het tijdloze te koppelen.

Ik probeer ze een voor een. Ik ben niet de eerste schrijfster die ze aantrekt, vertrouwt a me toe. In zijn portfolio zie ik later de kraag van mijn blouse op andere vrouwen terug.

We raken het eens over twee stukken: de zwarte blouse met de rushes en de jurk met het vlammetjesmotief.

Hij snoert de jurk om mijn lijf. Hij speldt me op. De mouwen zijn te lang. Mijn voorarmen moeten zichtbaar zijn, vinden we. De mouwen gewoon oprollen is niet bevredigend. A vraagt om een schaar. Hij begint te knippen, de repen prachtig motief vallen op de vloer, nog wat, en nog wat meer in een poging om de symmetrie te bewaren. We moeten uitkijken dat we de jurk niet op knippen. Aan mijn elleboog wordt de mouwband met spelden teruggezet.

We verschansen ons in de badkamer. Hij heeft make-up bij zich, ik ga op zoek naar oude potjes met randjes vastgekoekte kleur omdat hij nog iets mist voor mijn lippen. Mijn oorbellen moeten in, ik draag ze al jaren niet meer.

Langzaam dringt het tot me door: we maken een vervalsing, een jurk die niet bestaat, een vrouw zoals ze niet verschijnt. Voor een keertje hoef ik geen poging te doen om voor de lens mezelf te imiteren in de hoop dat ik herkenbaar ben. We ensceneren een werkelijkheid: de schrijver zoals hij doorgaans niet is. We laten een vals spoor na.

Er zijn tientallen mogelijkheden. Ik kan breed lachen, ik kan bedeesd lachen, ik kan niet lachen. Afhankelijk van hoe ik kijk word ik de schuchtere, de arrogante, de onbevattelijke schrijfster. A vraagt me mijn kin vooruit te steken. Hij is de eerste fotograaf op mijn pad die me niet verzoekt ‘wat vriendelijker’ te kijken. Integendeel, hij staat me toe met mijn neus in de wind te zitten. Nu en dan schieten we in de lach. De verstandhouding komt voort uit het feit dat ik herken wat hij doet. Net als wij, schrijvers, stelt hij een daad van hooghartigheid. Hij zegt immers: ‘Ik vind de verzonnen werkelijkheid interessanter dan de echte.’

Het is half oktober. Buiten woedt een strijd over een Agalev-schepen die een huurhuis van het OCMW betrekt en daar volgens het Vlaams Blok niet genoeg voor betaalt. De schepen verweert zich, maar iedereen vindt dat haar politieke levens op zijn. Ze heeft wel geen fout gemaakt, maar toch moet ze gaan, zegt men ook binnen haar eigen partij. Aan de Gentse Universiteit verschijnen de eerste studies over de invloed van de vorige affaire - die van de bankkaarten, de mantelpakjes en de parfums - op de tevredenheid van de Antwerpenaars over hun bestuursploeg. De lucht is zwanger van de woorden ‘perceptie’ en ‘imago’. Hierbinnen zitten wij, met onze eigen schijnvertoning, hard werkend aan een verkeerde indruk.

Ik heb mijn volle medewerking verleend, dat besef ik pas echt goed als ik weer mijn gewone plunje aanheb en a uitlaat. Toch heb ik er geen idee van wat er straks uit de donkere kamer komt. Van één ding ben ik evenwel al zeker: wat het ook wordt, het zal perfect zijn. Geen weergave van het origineel, maar de creatie van een nieuw. Vergeet de perceptie, dit is fictie. We zijn het er altijd over eens dat een geschilderd portret een interpretatie is van een gezicht, a heeft me weer in herinnering gebracht dat dat ook het geval is voor een gefotografeerd portret… Ceci n’est pas l’écrivain.

Enkele weken lager krijg ik bijna per ongeluk de foto’s te zien. Niet alleen die van mij, maar ineens de hele reeks van 26. Ik ben op de Wapper voor een ander project met ABC2004 en de plaatjes staan op het scherm van een van de computers. Ik kan mijn ogen niet geloven. Geen van de foto’s lijkt op wat ik had verwacht. Hier en daar zie ik de enscenering, meestervervalsingen zoals ik ze me had voorgesteld, maar andere foto’s ogen verbazend natuurlijk, alsof a de schrijver in het voorbijlopen heeft gekiekt, op een moment dat die het het minst verwachtte. Er zijn twee soorten foto’s, denk ik eerst, maar bij nader toezien klopt dat niet. De reeks valt op door een eenheid die ik zelfs na grondige analyse niet kan verklaren.

We zijn voor een tweede keer door a bij de neus genomen. Welke van deze foto’s is geënsceneerd en welke niet? Waar eindigt de inbreng van de schrijver en begint de regie van de fotograaf? Wie hebben allemaal instructies gekregen over hun houding, hun kledij, hun blik, en wie heeft zelf zijn houding bepaald?

Je laten fotograferen is de toestemming geven om te kijken. Aanzie dit: de woordmensen lopen in beeld, meer nog, ze lopen in de gaten. Maar de schrijvers kijken terug, elke foto geeft het kruispunt weer van drie sets ogen: de ogen van de fotograaf, de ogen van de schrijver, en de ogen van de toeschouwer. Is dit hoe we kijken als we weten dat met onze beeltenis de langlopendheid van een permanente tentoonstelling is gemoeid? Alleen is bij sommigen aan de blik geknoeid; het eerste wat zij zich afvragen is of ze hun oogopslag herkennen. (Van mezelf is dit, denk ik, de expressie die ik heb als ik naar mijn computerscherm kijk, vooral als ik zit te googlen: een uitdrukking van opgewonden verbazing.)

Automatisch ga ik in de poppetjes van de ogen op zoek naar het beeld van de fotograaf, de man die naar ons kijkt, zo veel jonger dan de meesten van ons. Hij ontmaskert door te maskeren. Hij zet ons te kijk, wij, zittend volkje, goden in het diepst van onze gedachten. En hij doet meer: hij maakt ons groter dan onszelf. Hij geeft ons aura. Met zijn kleine instructies over kin en handen zette hij ons klaar voor de lange termijn; niemand die later nog goed zal weten hoeveel van die uitstraling eigen aan onszelf was.

So far so good met die portrettengalerij van ABC2004. Die a heeft er wat van gemaakt. We kunnen met een gerust hart naar onze schrijftafels terug: er is geen waarheid prijsgegeven, en toch is ook niet ingeleverd op de waarachtigheid.

Er gaan een paar maanden voorbij. Er gist van alles op de Wapper, en als april nadert, nemen de projecten vaste vorm aan. Zo ook de fotoreeks van a, waaruit nu en dan een foto lijkt te ontsnappen. Ik krijg een boekenlegger. Er verschijnt iets in een krant. Ik kan de foto’s nu beter bekijken dan die keer op het computerscherm. Ze veranderen naargelang het papier waarop ze gedrukt staan. Maar de fictionaliteit blijft dezelfde. Ik incasseer de eerste reacties: dat ben jij niet! Ik had je helemaal niet herkend.

Maar dan gebeurt dit. Tot mijn ontzetting verneem ik dat de titel van de tentoonstelling niet, zoals ik had verwacht, luidt Antwerpse Schrijvers, maar wel: Levende Schrijvers.

Levende Schrijvers, denk ik! Met z’n 26-en, een heel jaar levende schrijvers zijn, zal dat wel lukken? Een jaar is lang. Wat roept ABC2004 over ons af?

Het kan natuurlijk dat we erin slagen. Het valt bijna letterlijk van de gezichten af te lezen: hoe we ons best doen om jong en gezond te blijven, om niet gek te worden, niet zonder woorden te vallen. Maar daarna is er nog die permanente tentoonstelling in de Permeke. Als dat maar goed afloopt.

Als iemand ‘Levende schrijvers’ tegen mij zegt, dan ga ik googlen (voor de uitdrukking die ik dan op mijn gezicht heb: zie de foto). Ik ga op zoek naar de site waar ik me helemaal aan het begin van het internettijdperk mee amuseerde: www.deathclock.com. Op die site kun je, mits het ingeven van een paar gegevens, je sterfdatum berekenen. Na een paar seconden verschijnt een pop-up met de mededeling: ‘Your Personal Day of Death is...’ en een datum. In de andere hoek van de pop-up staat hoeveel seconden je op dat moment statistisch nog te leven hebt. De seconden tikken weg terwijl je er naar kijkt, begeleid door ritmisch draaiende raderen achter een hologig doodshoofd. Om het helemaal op te leuken staat er ook nog een grafsteen rechtsboven, met de letters R.I.P.

U zult me een pervert vinden, maar ik heb mezelf niet kunnen tegenhouden. De geboortedata van de 26 schrijvers heb ik achterhaald. De body mass index van elk van ons heb ik op het gezicht bepaald, het geslacht eveneens. Omdat ik niet van iedereen wist of hij rookte heb ik op die vraag ‘nee’ geantwoord, tenzij ik zeker was van het tegendeel. Bij de vraag of de betrokken persoon eerder optimistisch, pessimistisch of sadistisch ingesteld was, heb ik voor iedereen ‘normaal’ opgegeven (met uitzondering van mezelf, daar gaf ik ‘sadistisch’ in, en ik weet zeker dat u het met me eens zult zijn).

Ik wou niet luguber doen. Ik wou ABC2004 adviseren. Zij mogen ons in al hun enthousiasme dan onsterfelijk vinden, we zijn het vermoedelijk niet. Het was misschien nog niet te laat, de folders waren allicht nog niet gedrukt, het boekje evenmin, dus ik kon er nog bij hen op aandringen om een andere titel te zoeken, iets wat minder hoog gegrepen is, en rekening houdt met het feit dat schrijvers en dichters bij uitstek gevoelig zijn voor hun sterfelijkheid. Die mensen van ABC2004 zijn ook zo jong allemaal, hun eigen indruk van eindeloosheid maakt hen zo lichtvaardig dat we hen ervoor moeten behoeden.

Maar wat bleek, toen ik het lijstje voor me liggen had?

De titel was helemaal niet zo slecht gekozen. Een paar van ons waren hun sterfdatum al vele jaren voorbij, en bewezen daarmee ogenblikkelijk de grote waarschijnlijkheid dat ze tot het pantheon van de onsterfelijken behoren. Een keer de kaap van deze groten is genomen zitten we veilig tot 2015 (een rampjaar voor de Antwerpse literatuur, want we verliezen twee schrijvers op enkele weken tijd). Daarna gaat het weer goed tot in de jaren ‘20. In dat decennium ontvallen ons zes Antwerpse schrijvers, gelukkig met grote intervallen, wat het voor de stad draaglijk zal houden. De rest gaat in de jaren ‘30 en ’40, opnieuw met mooie tussenpauzes. Niemand van ons haalt de jaren ’50, tenminste niet met de modus ‘normaal’. De miskende optimisten onder ons halen vast wel het midden van de eeuw, dus ook dat is hoopgevend.

We zijn geen schrijvers meer als vroeger. Vroeger zouden we bustes geweest zijn, op sokkels geposteerd in lange gangen van gotische gebouwen. Maar allicht moeten we daarvoor eerst onsterfelijk worden. Persoonlijk had ik volgens de Death Clock toen ik laatst inlogde nog 1.243.568.440 seconden te leven. Dat lijkt een eeuwigheid, maar onsterfelijk is anders.

De Death Clock vraagt niet naar literaire prestaties. Onthoud, waarde collega’s die hier staan afgebeeld, optimistisch blijven baat deze permanente tentoonstelling meer dan schrijven. Als ik voor mezelf op de Death Clock ‘optimistisch’ opgeef in plaats van ‘normaal’ win ik maar liefst achttien jaar. Verder zal het erop aankomen niet te roken, en onze body mass index te behouden. (Vrouw zijn is profijtelijk, dus ook dat valt aan te raden). De titel Levende Schrijvers kan dus worden gehandhaafd.

Dit magische jaar van de Antwerpse hoofdstad van het boek is nog maar pas begonnen. Mensen die het kunnen weten beweren dat toeschouwers altijd liever kijken naar portretten van lieden die ze zouden willen zijn dan naar personen die ze niet zouden willen zijn. Laten we hoopvol zijn, en ervan uitgaan dat toeschouwers zullen toestromen. Want wie weet valt aan de bezoekersaantallen van dit soort portrettengalerijen af te lezen hoeveel mensen in Antwerpen en omstreken schrijver willen worden? Laten we hopen dat het er veel zijn, zeer veel, en laten we als het er niet veel zijn optimistisch besluiten dat alle toekomstige schrijvers naarstig aan hun pc zitten. Maar ze zullen komen, geloof me, ze komen kijken naar die Antwerpse koppen. Misschien niet altijd voor onze mooie ogen, maar omdat wat ze willen zien het fictieve is, de tijdloze interpretatie door a. Op zijn onsterfelijkheid drinken we, wat de Death Clock ook beweert.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!