Nieuws
Werk
   -Alle
   -Ebooks
   -Luisterboeken
   -Bewerkt/Verfilmd
   -Vertaald
   -Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Dissertaties
   -Favorieten

Audio/Video
Foto's
Contact

Recensies

Ons Erfdeel, oktober 1999
Annemie Leysen

Meisje van glas

Het nieuwe boek van Anne Provoost volgt een ander spoor dan we van haar gewoon zijn. Het is een hervertelling van 'De schone en het beest'. Het sprookje werd in de eerste helft van de 16de eeuw opgetekend door de Italiaan Gianfresco Straparola en werd later in een Franse versie als "La Belle et la Bête" herschreven door Madame Le Prince de Beaumont. De belangrijkste ingrediënten van 'De schone en het beest' bleven in het boek van Anne Provoost bewaard: een koopman met drie bloemen van dochters brengt telkens geschenken mee van zijn verre reizen. De jongste, en mooiste, draagt hij het meest in het hart. Ze is ook anders en heel bijzonder. Tijdens een van zijn handelsmissies verdwaalt de man. Hij komt terecht in een verlaten landhuis, waar hij zich tegoed doet aan voedsel, drank en warmte en waar hij tenslotte een mysterieuze roos uit de tuin steelt. Het Beest, de eigenaar van het huis werd ooit vervloekt tot een bestaan als monster, een vervloeking die pas kan worden opgeheven door een beantwoorde liefde. Hij eist de vader op als vergelding voor de diefstal. De jongste dochter neemt diens plaats in.

In De roos en het zwijn loopt het allemaal minder vorstelijk en Hollywoodiaans af. In negen hoofdstukken zet Anne Provoost het verhaal naar haar hand. In een epische stijl, die ook voor de nodige afstand zorgt, laat ze de heldin Rosalena het verhaal doen van haar noodlottige schoonheid: "Van mij wordt gezegd dat ik de mooiste vrouw ter wereld ben. Ik heb rode lippen, een sneeuwwitte huid en handen als kostbare schelpen. In de Onze-Lieve-Vrouwekerk staan heiligenbeelden die naar mijn beeld zijn geschapen. Mensen denken dat ik op de Heilige Maagd Maria lijk, maar de waarheid is dat de Maagd op mij lijkt; de beeldhouwers zijn het me met tranen in de ogen komen opbiechten." Met dit openingsfragment wordt meteen de toon gezet. De schokkende schoonheid van het "Meisje-van-Glas" (zoals haar vader haar aanvankelijk noemde wegens haar doorschijnende huid en haar frêle constitutie) zal zich tegen haar keren en oeverloze eenzaamheid veroorzaken. Jongemannen worden met verbijstering geslagen bij één enkele aanblik, de naijverige zussen Idelies en Richenel voorspellen dat enkel jaloerse begeerte haar lot zal worden, de engelen die het huis schimmig bevolken, beijveren zich om haar voor de lusten van het vlees te beschermen. De wat anarchistische tegelelfen - tegenspelers van de bedillerige engelen - brengen haar schoonheid tot volle bloei, maken haar immuun voor de dodelijke pokkenplaag, die de engelen hadden georchestreerd en blijven tot op het eind hun beschermeling trouw. Als kind vindt het meisje troost bij haar alter ego, een afzichtelijk knobbelzwijn, "even moederloos en stijf in de leden" als zijzelf toen was en een voorafspiegeling van het latere Beest.

Het wrattenzwijn Zoran blijft immer waakzaam in haar buurt rondscharrelen en begeleidt het meisje in haar groei naar vrouwelijkheid: "Ik verloor kleine hoeveelheden bloed, en het was Zoran die me ondanks zijn pijn en zijn ongemak met de eindeloze toewijding van een pas bevallen moederdier schoonlikte". Bij haar eerste seksuele ervaringen verdwijnt het knobbelzwijn even, om voor altijd te vertrekken wanneer Rosalena het liefdesgenot beleeft met haar dubbele minnaar, de twee pokdalige echtgenoten van haar, ook door de ziekte verminkte zussen.

Dat zij, als enige, gespaard bleef van de pokkenepidemie, maakt haar radeloos schuldbewust. Ze daagt de dood uit op haar wilde tochten naar de besmette stad: ,,Leven en dood waren voor mij twee zijden van éénzelfde muntstuk."

Het Beest in dit verhaal is boer Thybeert: een verbitterde, misvormde man die alles wat hem lief was in het leven verloor en daardoor als een vereenzaamd monster tekeer gaat, want "onredelijkheid is het enige wat helpt tegen verdriet". Rosalena verlaat uiteindelijk haar zieke vader, de enige die ze echt liefhad, om het beest te gaan beminnen. "Ik ga met mijn gezicht in de wind staan om te voelen wat me naar Thybeert drijft. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat wat me vervult sneeuwwitte, doorschijnende liefde is, gaaf als mijn gezicht, en eerlijk als het zijne."

De roos en het zwijn is een boordevol boek, dat meer dan één lezing nodig heeft. Het is een sprookje vol kobolden, bos- en wandgeesten, elfen en dwaallichten. Magie en geheimen hangen in de lucht. Het boek is ook voer voor psychoanalytici. Anne Provoost gaf haar verhaal een eigen Freudiaanse moraal mee: Rosalena voelt zich schuldig over haar ontluikende zinnelijkheid. Alleen door definitief afscheid te nemen van de vader kan ze een man in haar leven binnenlaten en zo tot volle seksuele ontplooiing komen. De Roos en het Zwijn klinkt ook als een sprookje: met de afstandelijkheid en de ondoorzichtigheid van de archetypische personages, met de breedvoerige en tegelijk zuinige vertelstijl, met de voorspellende dromen als flash-forwards, en met de voortdurende verwijzingen naar het onafwendbare lot dat een mensenleven bestiert.

In De roos en het zwijn geeft Provoost bovendien een boeiende schets van het herfsttij der middeleeuwen, vol bijgeloof, religieuze obsessies, vaganten, flagellanten, epidemieën, stank en verval. Anne Provoost situeerde het verhaal op de linkeroever van de Schelde, van waaraf de bewoners met ontzag en heimwee de rivier, de koggen van de Hanze en de torens van de kathedraal konden zien. Ook leerrijk dus, maar niet met de irritante didactische nadruk die historische jeugdromans wel eens ontsiert. Ingenieus is hier ook de merkwaardige compositie: de ik-verteller geeft een soms drammerig relaas van haar noodlottige geschiedenis; een mysterieuze spiegel laat haar toe verder te kijken. Zo kan Rosalena in de spiegel haar vader op zijn tochten volgen, kan ze toekomstige gebeurtenissen voorspellen, en kan ze interpretaties ten beste geven die met een gewoon ik-perspectief niet mogelijk zijn. Het boek ontroert en fascineert, door het tijdloze van de plot, door de zintuiglijke én bijwijlen humoristische epiek. Het biedt interessante literatuur voor jongelui die balen van de oeverloze kommer in zogenaamde adolescentenromans én, evengoed, voor elke volwassene die van grote verhalen op de wijze van bijvoorbeeld G. Marqués houdt.