| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Fragment

Ik was aan het melken toen ik de hoeven van een vijftiental paarden op het pad hoorde. Het was schemerdonker, en wat opviel waren de walmende fakkels van ricinushout die de ruiters droegen, waardoor hun gezicht er grimmig en hun wapenuitrusting er vervaarlijk uitzagen.
Ter hoogte van het huis van Orlinde hielden ze stil. Ze bleven een ogenblik staan beraadslagen en wezen naar het raampje van waaruit Orlinde ongetwijfeld stond te kijken. Op een teken van de eerste ruiter gaven ze hun paard de sporen en kwamen in galop in mijn richting. Het schrille geschreeuw en het licht van de fakkels deden de koe schrikachtig trappelen en met haar poten slaan, en in een snelle reflex schoof ik de halfvolle emmer melk achteruit. Ik liep naar het pad om te zien wat er gebeurde.
Ze waren opvallend zwaar bewapend. De eerste die mijn aandacht trok herkende ik ogenblikkelijk aan zijn ronde, bijna aantrekkelijke gezicht waarop een vriendelijkheid lag die in tegenspraak was met de manier waarop hij op zijn paard zat, schreeuwde en er nors probeerde uit te zien. Het was de man die me ooit onder bedreiging met een scherp mes het bos in gesleurd had en gezegd had dat hij gekomen was om heel diep in me te gaan. Over zijn linkeroog droeg hij een donkere lap. Door wat er toen gebeurd was, had ik het gevoel dat ik elk onderdeel van zijn lichaam en elk aspect van zijn karakter kende. Hij was de jongste en de kleinste van het gezelschap, maar duidelijk de gevaarlijkste. Hij was gekwetst, niet alleen in zijn mooie meisjesgezicht, maar ook in zijn ziel, en dat maakte hem fanatiek en vernielzuchtig. Toen ik beter toekeek, herkende ik ook de anderen. Ik herinnerde me hen van de zomeravonden dat ze om het huis rondhingen, zogenaamd om een roos te krijgen, maar in feite om mij te zien. Ik kende ze allemaal, de mannen uit de omgeving. Ik wist hoe schuw en bang ze waren. In hun gordel droegen ze steevast meer dan één mes. Hun handen zaten vol kloven waar ze nooit uierzalf op deden omdat ze dan de greep op hun wapens verloren. Hun angst was zo groot dat onverschrokkenheid hun enige uitweg was. Omdat ik geen acht op hen geslagen had, hen als domme kuikens had laten lopen zonder ze een blik waardig te achten en soms zelfs had laten blijken dat Zoran beter in staat was mijn nood te lenigen dan zij, waren ze huurmoordenaars geworden.
De ruiters stoven mij, het schuurtje en het huis van mijn vader voorbij. Bij het huis van Idelies en Ottokar gekomen gooiden ze een fakkel op het dak, en meteen erna een tweede op het dak van Richenel en Tiras. Beide daken begonnen rustig te smeulen en even later langzaam te branden. Heel even keek ik ernaar. Ik herinnerde me hoe de balken een voor een overeind gezet werden. Ik kon het hout en het voegsel nog ruiken. Ik zag nog de bezwete bovenlichamen voor me van Tiras en Ottokar die de werklui hielpen met het aandragen van de stenen, evenals de zwarte, gekloofde handen van Idelies en Richenel nadat ze de muren met mortel vastgezet hadden.
Het was alsof achter de nok de zon opkwam. Vuur heeft iets feestelijks. Het trekt de mensen uit de omgeving aan die toestromen en bijna rennend om het brandende gebouw heen draaien om het van alle kanten te bekijken en aaah! roepen als het dak instort. Het brengt licht en warmte met betrekkelijk weinig harde geluiden, eerder met een vriendelijk gebrom. Het brengt gerechtigheid en pijn voor de schuldigen, en alleen maar pijn voor de onschuldigen; het onderscheid tussen de twee kent het niet. Mijn gegil werd beantwoord door het gegil van mijn zussen die met opgestoken armen het huis uit renden. De ruiters maakten rechtsomkeer en kwamen naar mij toe. Ze hielden even stil en keken met opgeheven fakkels naar het huis van mijn vader. Ik weet niet of ze het zagen, maar de elfen stonden in lange rijen met emmers water in de aanslag.
'Niet hier,' zei de eenogige gedempt en ze gaven hun paard de sporen. De sneeuwmodder spatte hoog achter hen op. Ze hadden niet gezegd wie ze waren of welke de misdaad was die ze hadden willen bestraffen. Ze waren voldaan en uitgelaten: het vuur had voltrokken wat ze zelf hadden willen doen, maar waar ze hun handen niet vuil aan wilden maken. Hoewel het volk uit de vier windrichtingen kwam, gingen ze toch allemaal aan de noordkant van het huis staan, met de wind in de rillende, met snel bij elkaar gegriste dekens bedekte ruggen. De emmers die naast het huis stonden waren zo warm dat niemand ze kon vasthouden. Het water in de waterput kookte. De rivier was droog en de wind hevig. We gingen bij de mensen staan en keken met eenzelfde nieuwsgierigheid hoe samen met de huizen de twee nieuwe schuurtjes en zelfs een paar bomen vlam vatten.
Die nacht sliepen we allen in het ouderlijk huis, Tiras en Richenel in de kamer van mijn vader, Idelies met Ottokar in de kamer van mijn moeder. Ik lag tot tegen middernacht met wijdopen ogen de geur van smeulend stro en dennenhout in te snuiven en diep over de dingen na te denken. Wat in mijn hoofd achterbleef was niet zozeer het beeld van de likkende vlammen als wel het geluid van hoeven. Ik bleef het horen alsof de paarden om mijn bed heen op de vliering draafden. Het was een dof, ritmisch geluid dat me opwond en naar de zomer en nog meer wind deed verlangen. Nu en dan veranderde het in het gestommel van tientallen, honderden, duizenden in vodden gewikkelde en nauwelijks van de pokken genezen voeten van mensen. Ze kwamen uit de stad naar ons toe. Ze waren boos. Ze riepen woorden die ik niet begreep.
Ik kwam tot een inzicht.
Er was maar één manier om uit de goor te stappen.
Ik moest me laten doden.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!