Nieuws
Werk
   -Alle
   -Ebooks
   -Luisterboeken
   -Bewerkt/Verfilmd
   -Vertaald
   -Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Dissertaties
   -Favorieten

Audio/Video
Foto's
Contact

Analyse

Uit de verhandeling van Goedele De Cock, 2001-2002 Universiteit Gent, departement Germaanse Filologie.

Handelingsverloop en thematiek in De roos en het zwijn

Het sprookje De roos en het zwijn vertelt het verhaal van Rosalena van bij haar geboorte tot ze een jaar of vijftien is. De themata die volgens Herman de Graef in het verhaal aan bod komen zijn:

(...) de onverdraaglijke ongelijkheid tussen mensen, de vergankelijkheid van schoonheid, de gehechtheid van een meisje aan haar vader, het jongemeisjesverlangen naar de volmaakte minnaar, de verscheurdheid van het hart bij de keuze tussen familie en geliefdeÖ

Het hoofdthema kunnen we omschrijven als het seksuele rijp worden van de hoofdfiguur. In een vergelijking met het sprookje van Disney zegt de auteur het volgende:

Disney herleidde het tot een kindersprookje. De kern van het verhaal, dat een meisje alleen maar volwassen kan worden als ze kiest tegen haar vader en voor haar geliefde, is weggelaten. Maar die evolutie van een meisje dat seksueel actief en volwassen wordt, is eigenlijk de essentie.

Rosalena - die twee oudere zussen heeft, met name Richenel en Idelies - snakt al vroeg naar een man in haar leven: "Maar ik hield het niet vol. Middenin de nacht werd ik wakker met de onhoudbare behoefte om de zakken van me af te gooien en met mijn ogen wijdopen in het duister te wachten op vingers op mijn lichaam." (p. 42). Door haar seksueel volwassen worden, verliest ze personen (en zelfs haar knobbelzwijn Zoran) die haar dierbaar zijn. Rosalena moet keuzes maken, iets wat de auteur zelf intrigeert: "Je moet kiezen tussen mooi en lelijk, tussen je vader en je geliefde. Eeuwige dilemma's dus."

Mijn vader voelde mijn verdriet intuÔtief aan. Hoewel ik zei dat ik treurde om de manier waarop de vreemdelingen die me ontmoetten me behandelden, wist hij dat ik eigenlijk treurde om het verlies van de mannen om me heen, Tiras, Ottokar en hijzelf. Het was aandoenlijk om te zien hoe recht en voorrecht een voortdurende strijd in hem leverden, maar hoe meer hij zijn best deed hoe verder hij zich van me verwijderde. Hij kwam bij me staan toen ik warmte zocht bij Zoran, die zo oud geworden was dat hij zich maar zelden meer verder verplaatste dan tot aan de rozenstruik. p. 50.

De liefde van Rosalena tot haar vader (Freud ziet daarin "seksuele verlangens") en omgekeerd kunnen we als een Elektracomplex en respectief een omgekeerd Elektracomplex beschouwen. In Van Dale wordt het begrip "Elektracomplex" als volgt gedefinieerd:

(psych.) verzameling onbewuste wensen, gevoelens en ideeŽn waarbij een dochter zich op bijzondere wijze aangetrokken voelt tot haar vader (en daarbij een vijandige instelling heeft ten opzichte van haar moeder), tgov. Oedipuscomplex.

Die definitie kunnen we op Rosalena toepassen die bijvoorbeeld in de spiegel haar vader op zijn reizen volgt. Het tweede deel van de definitie geldt niet voor het hoofdpersonage: Rosalena's moeder is gestorven en vůůr haar dood is de dochter niet jaloers op haar moeder. Wel is er een vijandschap te onderkennen tussen Rosalena en Orlinde; van laatstgenoemde mogen we aannemen dat ze een relatie heeft met Rosalena's vader. Naast andere factoren draagt dat aspect waarschijnlijk bij tot de vijandschap tussen beide vrouwen. We kunnen van een omgekeerd Elektracomplex spreken met betrekking tot de vader. Rosalena is zijn oogappel en hij trekt haar voor ten opzichte van Richenel en Idelies. We kunnen zelfs het woord "verliefdheid" in de mond nemen.
Anne Provoost laat de moeder sterven:

Omdat de vader dan het laatste houvast wordt, en zij voor de vader het laatste houvast. Haar verraad is dubbel zo groot wanneer ze hem verlaat omdat hij alleen is. Ze kan haar keuze ten [in de tekst staat "de", GDC] voordele van Thybeert dan ook eigenlijk pas maken als blijkt dat hij opnieuw verliefd dreigt te worden. Daarvoor is ze al seksueel actief geweest, maar werd ze altijd beladen onder schuldgevoelens. Als haar moeder nog had geleefd, was dat probleem niet zo acuut geweest. De vader maakt daar misbruik van. Hij roept haar op een gesublimeerde manier terug (door ziek te worden).

Op het moment dat Rosalena haar vader voor de tweede keer verlaat voor Thybeert - tot wie ze zich eveneens aangetrokken voelt, beseft ze dat haar vader opnieuw ziek zal worden en het voor haar een eeuwig over en weer geloop zal zijn (zie p. 107 - 108). De schoonheid en daarmee gepaard gaande vergankelijkheid vormen een ander belangrijk thema in het sprookje. Rosalena ervaart haar schoonheid als een "schandvlek" (zie p. 88) en reageert er heel anders op dan haar zussen.

Idelies' aantrekkelijkheid maakte haar ongeduldig als een jong paard; ze besefte dat alles gauw voorbij zou zijn. Richenels schoonheid maakte haar diepzinnig: door naar zichzelf te kijken bereikte ze een innerlijk evenwicht dat ze in de omgeving waarin we leefden niet vinden kon. Ze wist dat haar schoonheid broos en kwetsbaar was, en koesterde die daarom als iets kostbaars, onvergetelijks en bijgevolg eeuwigs. Op mij had mijn schoonheid een omgekeerd effect. Mijn aantrekkelijkheid maakte me moedeloos en terneergeslagen omdat ik aandacht kreeg voor wat in mijn ogen tijdelijk en bijgevolg waardeloos was.
p. 51.

Aan haar schoonheid is Rosalena niet "gehecht", integendeel ze is haar "ten deel gevallen" en het hoofdpersonage vertoont dan ook een Sehnsucht naar vroeger, toen ze "doorschijnend en ziekelijk was" (zie p. 57). Net zij blijft van de pokkenplaag - waaraan de slachtoffers lelijke littekens overhouden - gespaard, in tegenstelling tot haar zussen, voor wie schoonheid ťťn van hun levensdoelen is of was. Rosalena heeft er moeite mee dat men schrik heeft voor "de perfectie" van haar "gezicht" en "de mooie welvingen" van haar "lichaam" (zie p. 57).
In verband met schoonheid vertoont de auteur soms een filosofische inslag. Volgend citaat doet een beetje denken aan Plato's opvattingen over de ideeŽnwereld. Wij, de mensen hier op aarde, kunnen maar een afspiegeling waarnemen van het Ware, het Schone. Al wat wij zien, is onvolmaakt, Plato "stelt dat de wereld een afspiegeling is van, en gevormd is naar de eeuwige en volmaakte wereld van de IdeeŽn."

Wat heeft me doen denken dat ik mooi was? Niets op deze aarde kan mooi genoemd worden. Schoonheid is van niets een eigenschap dat niet God is. De dingen die we zien en mooi noemen zijn vergankelijk! Hoe kan iets schoon zijn als het dat morgen al niet meer is? Het bewijst dat het zinsbegoocheling is geweest, dat de mens zich in zijn oordeel heeft vergist. Alleen God weet wat schoonheid is, hij kent het schone omdat hij het is. Alles wat schoon is, is naar zijn beeld gemaakt. Om die reden kan een vrouw niet mooi zijn; het zou betekenen dat God eruitziet als een vrouw.
p. 85.

Rosalena keert zich af van mannen die enkel door haar uiterlijk gefascineerd zijn, in het volgende fragment is dat Tiras. Rosalena zou graag hebben dat mannen op haar vallen voor haar karakter, niet voor haar uiterlijk.

Toen zijn wambuis openviel, zagen we hoe zijn zachte, golvende buik op bepaalde plaatsen veretterd en gekneusd was, en weken oude, onverzorgde wonden waar een blauw vocht uit liep vertoonde. De wonden werden veroorzaakt door iets wat onder zijn kleren gesnoerd zat en op het eerste gezicht op een dorre tak leek, maar bij nader inzien een droge roos met doornen bleek te zijn. Ik trok ogenblikkelijk mijn handen terug. Richenel deed alsof ze de roos niet herkende, verwijderde de doornen uit het vlees en bette de wonden. Toen het vocht bleef vloeien vroeg ze mij om het gaas vast te houden, mar ik kon haar niet helpen. Ik wendde mijn hoofd af en weigerde het lichaam verder aan te raken.
p. 43.

Wanneer ze later met haar schoonbroers naar bed gaat, weet ze niet wie haar minnaar echt is. In haar naÔviteit denkt ze aan een bosgeest. Ze is zich niet bewust van het feit - of wil het niet weten - dat Tiras en Ottokar, mannen die enorm op haar schoonheid gesteld zijn, haar seksuele noden komen bevredigen. Zelfs nadat Richenel en Idelies - zijzelf en hun echtgenoten zijn dan van de pokkenplaag genezen - hun beklag doen over het feit dat hun mannen niet meer in staat zijn hen "het genot" van vroeger te geven, heeft Rosalena niets beet (zie p. 64).
Ze hecht zelfs geen betekenis - nadat ze de stoffelijke resten van Zoran gezien heeft - aan volgende gevoelens: "Toen Tiras me in zijn armen nam, ervoer ik iets als herkenning, maar het braaksel dat in mijn mond omhoogschoot deed mijn lichaam schokken en verlamde mijn zintuigen." (p. 65).
We zouden bovenstaand citaat als bewijs kunnen opvatten dat Rosalena zich in haar achterhoofd bewust wordt of is van het feit dat in dit geval Tiras haar nachtelijke bezoeker is. Pas na een list - ze smeert het haar van de minnaar in, wat volgens Jan van Coillie "een bekende truc in sprookjes is" - ontdekt ze dat het haar schoonbroers zijn. Rosalena ervaart haar eigen schoonheid als bedreigend:

Die nacht wenste ik mezelf een stigma toe. Ik hoopte dat er herfstvlekken in mijn gezicht zouden staan waardoor ik onbetrouwbaar en verdacht zou lijken. Ik bleef urenlang klaarwakker en werd voor het eerst in mijn leven mateloos bang. Het was een angst die niet wegging door een kaars op te steken of een liedje te neuriŽn, omdat het angst voor mezelf was.
p. 44.

Jan van Coillie noemt naast de "vergankelijkheid", nog "schuld en boete en erotiek" als themata. Verwijzingen naar schuld vinden we bijvoorbeeld in de passage:

"Jullie hadden in de stad niet over Rosalena's spiegel moeten vertellen," zei Lucretia gelaten. Aldus kwam de schuld als een geslagen en om vergiffenis smekende hond bij me terug. Niemand klaagde me aan, maar doordat er evenmin iemand was die me vrijpleitte, kwam de spijt in me wonen.
p. 79.

Ook in de stad Antwerpen zoekt men schuldigen voor de pokkenplaag, en dat zijn de bewoners van over het water en de mensen die ongeschonden blijven. Zinnen waarin de boete duidelijk tot uitdrukking komt:

Ik haatte de engelen. Ik sloeg naar hen zodra ze weer bij ons binnenkwamen, maar ik sloeg door hen heen en ze lachten. Om me te plagen lieten ze hun witte gewaden achterwege. Ze stonden ongekleed voor me, waardoor ze nog meer dan vroeger leken op naakte mannen zonder haargroei en zonder geslachtsorganen. Op hun buik ontbrak de navel. Ze waren wit en onaantrekkelijk, hun aantal veel groter dan een paar maanden tevoren. Hun adem en vleugels ruisten. Ze brachten weersverandering en de geur van zuurdesem mee. Ik wist toen al dat ze me zouden laten boeten en ik was ertoe bereid. Sinds de pokkenplaag achtervolgde me het gevoel dat ik het leven leidde dat eigenlijk voor mijn zussen bedoeld was. Over het uitblijven van mijn bloeding zeiden ze niets, bijna alsof ze het niet wisten, en dat was voor mij een teken dat de straf als te mild werd ervaren.
p. 81.

De tijd die ze bij Thybeert doorbrengt, ervaart ze zelf als boetedoening, dat vinden we bijvoorbeeld terug in: "Mijn boetedoening werd zo compleet dat ik geloofde dat alles snel voorbij zou zijn." (p. 90). De penitentie verloopt niet van een leien dakje:

De weken gingen voorbij. De lente kwam, en toen ik vaststelde dat ik van de avonden met Thybeert genůůt, besliste ik dat mijn boetedoening intenser moest worden. Ik gooide het stro en de matras waarop ik sliep door het raam en legde er een plank voor in de plaats. Ik sliep slechter, maar om de een of andere reden, werden mijn dromen mooier en intenser. Herhaalde malen beleefde ik in mijn slaap de droom van mijn moeder over de aanranding door het beest. Iedere keer was het een verwarrende maar bevredigende en warme ervaring. Omdat ik het als een voorteken beschouwde, pakte ik een schaar uit Dankaerts keuken en knipte mijn haar tot aan mijn hoofd af.
p. 93 - 94.

Niet enkel Rosalena legt zichzelf straffen op, ook Thybeert doet dat, maar hij betrekt andere personen in dat proces. Aangezien hij in zijn leven ongeluk heeft ondervonden, behandelt hij andere mensen met onredelijkheid. Rosalena is om het zo te zeggen ťťn van zijn slachtoffers. De erotiek komt onder meer aan bod in een scŤne tussen Rosalena en Thybeert:

Voor de tweede keer streelde hij mij. Mijn kleren raakten los, en hoewel aan zijn rechterhand de vingers ontbraken, voelde ik trillingen van wel twintig vingertoppen. Hij streelde me overal, hield niet op, raakte met zowel zijn goede hand als met de poot plaatsen aan die zelfs mijn nachtelijke minnaars nooit gevonden hadden.
p. 97.