Lezingen

Nieuws
Werk
   -Alle
   -Ebooks
   -Luisterboeken
   -Bewerkt/Verfilmd
   -Vertaald
   -Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Dissertaties
   -Favorieten

Audio/Video
Foto's
Contact

Recensies

Openbaar, februari 2002
Marcel Janssens

Een andere kijk op de ark van Noach

Met haar roman De arkvaarders gooit Anne Provoost hoge ogen: vertalingen in het Zweeds, Duits en Engels staan op stapel en de roman werd onlangs bekroond met de Gouden Zoen 2001, een prijs voor Nederlandstalige en vertaalde jeugdliteratuur van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek. De Gouden Zoen-jury onder leiding van Dick Schram loofde in haar rapport onder meer de ongelooflijke actualiteit van het boek en noemde De arkvaarders 'een roman voor literaire fijnproevers (...) die op meerdere manieren gelezen kan worden: als historische roman, als spannend verhaal, als een ideeŰnroman.' Eerder kreeg De arkvaarders een Boekenwelp, een eervolle vermelding, traditioneel uitgereikt tijdens de jeugdboekenweek. De jury van de Boekenleeuw deed 'graag een oproep aan volwassen lezers om zich niet te laten afschrikken door het etiket "jeugdliteratuur" op sommige boeken. Boeken zoals De arkvaarders verdienen het hun weg te vinden naar een volwassen publiek, waar ze net zo thuis horen.' Marcel Janssens ging voor Openbaar de uitdaging aan.

Anne Provoost (Poperinge, 1964) is een van de meest gelezen, meest bekroonde en vertaalde jeugdschrijfsters in de Nederlanden. Ze studeerde Germaanse Filologie en Pedagogiek en woont nu in Borgerhout, waar ze zorg draagt voor drie kinderen en nog tijd en inspiratie weet te vinden voor al een indrukwekkende lijst van verhalende prozawerken. Of die nu voor beginnende lezers, voor adolescenten of zelfs voor een volwassen doelgroep bestemd zijn, dat is niet haar probleem, daar beslist haar leespubliek zelf over. En dat tot haar grote voldoening, zoals onlangs gebleken is bij de publicatie van haarjongste roman De arkvaarders (Querido, 2001). Zij is voortdurend vaste kandidate voor Gouden Uilen en Boekenleeuwen. Na vier boeken blijkt haar doelgroep ook te zijn opgeschoven van jongeren naar volwassenen. Dat lijkt me voorzeker toepasselijk voor haar nieuwe visie op de mythe van de ark en de zondvloed.

Haar vorige drie boeken beeldden die verschuiving niet zo duidelijk vooraf. Haar eerste verhaal Mijn tante is een grindewal (1990), verteld door een twaalfjarige Anna, handelt over seksuele kindermishandeling en incest. Haar grootste succes is tot dusver Vallen (1994) met als hoofdpersoon de zestienjarige Lucas, die belaagd wordt door extreemrechtse retoriek. De roos en het zwijn uit 1997 herschrijft het sprookje van de schone en het beest. Achteraf gezien kondigde die vermenging van sprookje en mythe de procedure van De arkvaarders al aan.

Ook in dat vierde boek treffen we een vrouwelijke ik-verteller aan - een vertelwijze die Anne Provoost zo natuurgetrouw uit de pen lijkt te vloeien. Al die teksten werden veelvuldig herdrukt en met prijzen bekroond, Vallen werd al verfilmd als Falling, en allemaal werden ze al verscheidene keren vertaald. Vooral sinds ze bij Querido een onderkomen vond, blijkt haar inlandse en internationale uitstraling dubbel verzekerd. De arkvaarders is een voor Anne Provoost typische 'hervertelling', 296 bladzijden lang. Ze vermeldt in een notitie vooraf dat een ingeschoven verhaal - over de moeder van een schoondochter van de arkbouwer - ontleend werd aan 'het verhaal van Darius I zoals verteld door Herodotus in zijn derde boek'. Maar haar research strekte zich veel verder uit. Ze bestudeerde historische werken uit de Oudheid, las Sumerische en Babylonische vloedverhalen, snuisterde in moderne romans en in tal van kinderverhalen over die spectaculaire episode in het Oude Testament.

Ze blijkt zich te hebben geschoold in de technieken van de scheepsbouw, ze kent de namen evenals de gedragingen van dieren, insecten, planten en gewassen als een volleerde specialiste. Ze vulde het bijbelse verhaal ook aan met nevenintriges en nevenpersonages. De bijbelversie die wij kennen, blijkt in grote mate gecensureerd en ingekort, zo verklaarde de schrijfster in interviews. Dat verhaal uit haar kinderjaren heeft zij nu als volwassen vrouw geassimileerd en veelvuldig bijgestuurd, naar haar hand gezet en geproblematiseerd met een eigentijdse feeling voor het interpreteren en vooral voor geloven. Dat alles sterkt me in de overtuiging dat ze onder haar schrijfblok haar doelpubliek heeft zien verschuiven.

De inhoud van De arkvaarders is nauwelijks in het kort na te vertellen. Het meisje Re Jana, een kind nog, 'aan het einde van haar groeitijd', doet dienst als ik-verteller. Ze stamt uit een familie van (zwarte) moerasbewoners met vele goden. Met haar vader en haar verlamde moeder komt ze naar de (blanke) nomadische woestijnbewoners, de Rrattika, met hun ene god, de Onnoembare. Zekere Alem-de-voddige wordt haar 'leermeester in de liefde'. Zijn zoontje Put blijft bij hen. Er zal een verwoestende vloed over de aarde komen, omdat de Onnoembare spijt heeft over de mensen die hij schiep, maar die zich uit vrije wil misdragen. De Onnoembare selecteert de mensen en dieren die in de ark zullen binnen mogen om de zondvloed te overleven. Hij geeft de opdracht om de ark te bouwen aan een oude bouwheer (de naam Noach komt niet voor in de tekst). De bouwheer heeft drie zonen Sem, Cham en Jafeth. Sem smokkelt Re Jana en het kind Put in de ark. Na afgrijselijke regens baart Re Jana een zoon Kanaan. Bij de landing blijkt ze zich met die ene god, de Onnoembare te hebben verzoend. In een Naschrift worden ontelbare geslachten opgesomd, die zich uit de nakomelingen van Sem, Cham en Jafeth over de hele wereld hebben verspreid.

Die wijdlopige, veelvuldig verstrengelde, detaillistisch gedocumenteerde vertelling kan ook voor adolescenten, die op een ander ritme van perceptie afgestemd zijn, nog een zware dobber vormen. Maar wie met hedendaagse problemen van bijbellectuur en geloof wat vertrouwd is, zal zich zeker thuis voelen in De arkvaarders. Vragen genoeg voor wie wat nader wil toekijken. Polythe´sme wordt er met monothe´sme geconfronteerd.

En die ene god van de Rrattika, het uitverkoren volk, heet de Naamloze of de Onnoembare. Dat zijn termen die we in de "negatieve theologie" en in de "postmoderne theologie" in overvloed aantreffen. Waarom moesten alleen de Rrattika worden uitverkoren en begenadigd en al de andere wereldbewoners uitgestoten? De Onnoembare kiest uit, en redt, en verdrinkt al de rest van zijn schepsels. Een probleem van exclusiviteit en verdraagzaamheid, van uitsluiting en insluiting? Hier wordt toch in de bijbelse mythe het zeer actuele probleem van interculturele tolerantie aangekaart? Hier botst niet alleen zwart tegen wit, maar ook zoiets als moslim tegen joods en christelijk. Zelfs de verloedering van onze planeet duikt op tussen de regels. Wie dat allemaal mee kan lezen, ondergaat niet alleen de charme van een sprookje of de betovering van een mythe, of de wetenschappelijke aantrekkingskracht van een archeologisch stevig onderbouwde geschiedenis, maar ook de dringende wekroep van een confrontatie op geloofsniveau.