Lezingen

Nieuws
Werk
   -Alle
   -Ebooks
   -Luisterboeken
   -Bewerkt/Verfilmd
   -Vertaald
   -Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Dissertaties
   -Favorieten

Audio/Video
Foto's
Contact

Recensies

De Morgen, 10 oktober 2001
Annemie Leysen

Is rechtschapen zijn hetzelfde als in leven blijven?

In haar nieuwe boek De arkvaarders werkt Anne Provoost het bijbelverhaal over Noach van amper drie korte hoofdstukken uit tot een indrukwekkende epische roman met tijdloze dimensies.

Jahwe zei tot Noach: 'Ga in de ark met heel uw gezin, want van dit geslacht zijn gij de enige die in mijn ogen rechtschapen is.' (Genesis 7,1). De Onnoembare is ontgoocheld in de mens die hij heeft geschapen. Daarom wil hij een handvol uitverkorenen de kans geven een nieuwe en betere wereld te beginnen. Wie niet rechtschapen is, zal verdrinken in een vernietigende zondvloed. In De arkvaarders geeft Anne Provoost de archetypische en dus bloedeloze bijbelfiguren een leven en een eigen gezicht en ze voegt er een reeks fictieve verhaallijnen en personages aan toe. Het jonge meisje Re Jana bijvoorbeeld, vertelster en kritische observator van wat zich voordoet, en meteen ook de protagonist van het boek. Samen met haar verlamde moeder en haar vader, een botenbouwer, verlaat zij de moerassen en gaat een nieuw bestaan tegemoet in de droge steenwoestijn waar, zo hoorden ze het zingen en vertellen, een waanzinnige onderneming werkkrachten zoekt. Op hun tocht initieert Alem-de-voddige, hun gids en spoorzoeker, haar in de liefde en wordt ze vrouw.

Wat de moerasbewoners bij hun aankomst te zien krijgen is "een werkelijkheid zo gek als ze in de liederen klonk": een rotsige, kurkdroge werf waar een leger arbeiders een schip bouwt. Re Jana's vader wil zich als expert laten aanwerven. Al gauw blijkt dat dat zootje ongeregeld, de Rratttika, geen verstand heeft van water, laat staan van hoe je dat moet vinden of met boten kan beheersen.

Jana's vader wil furieus, want beledigd door al die onkunde, het plan opgeven, maar zijn vrouw wil niet terug naar het moeras met het 'zenuwslopende getij' en het onbetrouwbare water dat haar lam maakte en haar baby liet verdrinken. Re Jana raakt gefascineerd door het vreemde schurftige zwerversvolk, door hun mysterieuze onderneming en ook door de bleke, gevoelige Cham met zijn piepende adem. Met haar talent voor water en haar - voor Rrattika ongekende - aandacht voor lichaamsverzorging heeft ze troeven in handen en dringt ze door tot bij de uitverkorenen: de bouwheer (zoals Noach in het boek onveranderlijk wordt genoemd), zijn drie zonen Sem, Jafeth en Cham, en ten slotte ook hun vrouwen.

Het verhaal bevat drie episodes, weliswaar niet expliciet zo aangegeven. In een eerste deel tracht Re Jana de bedoeling van het raadselachtige bouwwerk te achterhalen. Als verzorgster en geliefde van de jongste zoon Cham en nadien ook als toeverlaat van de broers en de bouwheer zelf, en als draagster van het geheim van een bron met zuiver water, komt ze stilaan aan de weet dat de ark geen altaar is en evenmin een vernuftig kunstwerk dat de bouwers "aan de vloek van de vergetelheid" moet laten ontsnappen, maar "dat het project daar in de diepte door iets krachtigs werd gedragen, dat het allang niet meer in dromen bleef steken." Uit de vele gesprekken die ze hoort, en na een clandestiene verkenning van de ark, begrijpt ze tot haar verontwaardiging en ontzetting dat wie achterblijft tot de verdrinkingsdood gedoemd is. Het geloof op redding van de vele arbeiders blijkt wel erg naÔef.

Zo wordt een verhullende toespraak van de bouwheer tot zijn werkers over de hele opzet met gejuich onthaald. Anne Provoost componeerde deze episode meesterlijk door een intrigerend spel van twijfel, zekerheid en wantrouwen bij de personages op te zetten. Als lezer hoor je wisselend bij de wetenden en bij de onwetenden.

De tweede episode is er een vol onderhuidse intriges en listen, geheimen en verraad, vertrouwen en chantage, aantrekken en afstoten, liefde en wraak, berouw en boetedoening. De sfeer wordt almaar grimmiger: wie hoort bij de uitverkorenen en welk gekonkel kan helpen om het eigen hachje en dat van de dierbaren te redden? Re Jana's vader besluit een eigen rakboot te bouwen voor zijn gezin en raadt iedereen aan hetzelfde te doen. "Het is een god voor hen alleen. Hij heeft hen uitverkoren en zij hem. Als buitenstaander maken we geen kans." En nog: "Een nieuwe wereld met inzicht en verstand is te verkiezen boven een met uitsluitend rechtschapenen."

Het onheil laat inmiddels op zich wachten en raakt heel even - bijna euforisch - vergeten. Tot er meeuwen verschijnen, en vreemde diersoorten en met hen een toenemende vochtigheid. Eerst blijft het bij wat lichte regen. De ark wordt in versneld tempo afgewerkt. Het hameren, kloppen, ratelen en trillen van boren, al die geluiden die tot dan toe voor een steeds vertrouwder klankdecor zorgden, houden plots op. Het schip is klaar. "Het gemompel dat over de werf hing kwam voort uit de nieuwe stilte."

Met de komst van de grote regens neemt het verhaal een laatste grote wending. De ark wordt volgestouwd met voorraden en de door de Onnoembare voorgeschreven dieren. Ten slotte schepen ook de uitverkorenen in. Re Jana en Put, de kleine zoon van Alem, zitten als verstekelingen verborgen. De paniek van de achterblijvers is enorm. Het zijn stuk voor stuk apocalyptische beelden die Anne Provoost hier oproept. Brullende winden, kletterende hagel, een lucht zwart als een haren zak en daaronder dolle en weerspannige beesten, en mensen die wanhopig de ark bestormen of proberen te beklimmen. Je leest het allemaal ademloos. En dat alles, zegt de bouwheer voor hij in de ark verdwijnt, omdat "de Onnoembare, die geen spijt kent, tot spijt werd gedreven."

Dan volgt het eindeloze wachten op het beloofde paradijs, een kwellende en claustrofobische episode met ontbering, onthouding, geheime offers aan andere goden en pijn voor mensen en dieren. Een wachttijd even lang haast als de dracht van het kind van Re Jana, de eerste bewoner van een nieuwe wereld, ook uit water geboren.

Anne Provoost schrijft met al haar zintuigen: er zijn de welriekende geuren van olie, mirte en zoete clamus, van parfums en kruiden, de geuren van zweet, teer en pek, de stank van verrotting, gisting en uitwerpselen. Er zijn de geluiden van water en wind, van hamers en boren, van vreemdsoortige beesten en wanhopige mensen. Er is ook het tasten, het weldoende kneden en smeren met oliŽnde handen van schurftige, zieke huiden en de verlossende liefkozingen. Er zijn de overweldigende beelden, panoramische of kleinschalig, die verrassende werelden oproepen.

Dit bijbelse verhaal is, nu meer dan ooit, tijdloos en actueel. In deze roman worden dwingende vragen gesteld. Leiden kritiekloze 'rechtschapenheid' en onvoorwaardelijke trouw aan een onredelijke overtuiging niet tot onrecht en eigenbelang? Genereert uitverkorenheid dan perversie? Wat is het echte heldendom? Moet men blind blijven voor wat dreigt? Antwoorden krijg je als lezer, gelukkig, niet. De arkvaarders is dan ook geen moraliserend pamflet. Een en ander stemt tot diep nadenken.

Voor dit boek deed Anne Provoost gewoontegetrouw heel wat studiewerk. Over scheepsbouw en houtbewerking, bijvoorbeeld, en over manieren van leven en overleven zoveel eeuwen geleden. Over winden en water en - uiteraard - over de bijbel en de helden van de verhalen waarover die vertelt. De arkvaarders kreeg dan ook een bijbelse epiek mee, een wijdlopige verteltrant die soms wat geŽlaboreerd of zwaar op de hand gaat klinken. Dat levert dan wel eens stroeve en hortende zinnen op, of een ontspoord taalregister. Door de breedvoerigheid van het verhaal en de vele personages die Provoost opvoert, raken boeiende verhaallijnen soms kwijt, lijken een paar overbodige anekdotes koppig ingelast waar ze niet thuishoren en dreigen interessante figuren plots, samen met de schrijfster, te verdwalen in een warrig web van intriges. En dat heeft dan - vooral in het tweede deel - weer een effect op de overigens meestal overwogen uitgebouwde compositie.

Anne Provoost heeft zeer veel te vertellen. Dat was ook al het geval in haar vorige romans. Ze vertelt haar verhaal gedreven, vakkundig en meeslepend en, zo lijkt het, met hoogdringendheid. Voor wie De arkvaarders gelezen heeft ziet de wereld er voor onbepaalde tijd anders uit.