Lezingen

Nieuws
Werk
   -Alle
   -Ebooks
   -Luisterboeken
   -Bewerkt/Verfilmd
   -Vertaald
   -Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Dissertaties
   -Favorieten

Audio/Video
Foto's
Contact

Recensies

Nederlands Dagblad (Gereformeerde ochtendkrant voor Christelijk Nederland)
2 februari 2002
Teunis Bunt

De zondvloed volgens Anne Provoost

Literatuur maken van een bijbelverhaal is niet nieuw. Vondel was er al druk mee bezig. Noem zijn tragedies maar op: Joseph in Dothan, Jeptha, Koning David in ballingschap, Noah, Samson. De predikanten van Amsterdam vonden het overigens maar bedenkelijk en lieten dat ook duidelijk blijken.

Al verkondigde Vondel wel eens een afwijkende mening, hij was een gelovige en de Bijbel was voor hem meer dan zomaar een verhalenboek. Schriftkritiek zul je bij Vondel niet tegenkomen. Hij stelt zich in zijn toneelstukken niet tegenover de Bijbel.

Guus Kuijer deed dat bijvoorbeeld wel met Izebel van Tyrus. Izťbel is zo'n beetje de slechtste vrouw uit de Bijbel en al vanaf de eerste kinderbijbelverhalen over haar, ben je als kind vůůr SamuŽl en tegen Izebel. Met andere woorden: SamuŽl is degene met wie je je als lezer (of luisteraar) identificeert. Izťbel is de ongelovige, met wie het dan ook slecht afloopt.

Kuijer legt in zijn boek het perspectief bij Izťbel en dan krijg je ineens een ander verhaal. Izťbel wordt dan de verstandige vrouw, die inziet dat je een multicultureel land als IsraŽl niet kunt regeren op zo'n fundamentalistische manier als waarop de profeten dat willen.

Met De arkvaarders schreef Anne Provoost een roman in de trant van Kuijer. Ze nam de geschiedenis van de zondvloed maar legde het perspectief niet bij Noach, maar bij Re Jana, een meisje dat met haar vader en haar verlamde moeder naar de plaats trekt waar Noach zijn ark bouwt. Ze komen uit de streek van de moerassen van Kanašn, dus vader weet alles van botenbouw af en hij denkt Noach van dienst te kunnen zijn.

Wij kennen het verhaal van Noach en we weten hoe het afgelopen is. We weten van de regenboog, het teken van Gods belofte de aarde nooit meer door water te verwoesten, we weten dat het hele Oude Testament nog komt en dat dat uitloopt op het Nieuwe Testament, waarin verteld wordt dat de Messias wordt geboren en sterft voor de zonde van zijn kinderen.

Anne Provoost heeft zich afgevraagd hoe het is voor iemand die dat perspectief nog niet heeft, die niet een hele bijbel heeft om God te leren kennen, om een godsbeeld en een theologie te ontwikkelen. Hoe was dat voor Noach? Wat wist hij eigenlijk van God? Begreep hij wat er aan de hand was?

Re Jana spreekt bijvoorbeeld met Noach over een leven na dit leven, maar volgens hem bestaat het niet: ,,Daar heeft Hij me nooit iets over gezegd. Ik weet niet beter dan dat dit bestaan voorbijgaat. De levenden weten dat ze gaan sterven, maar de doden weten niets. Daarom is een levende hond beter dan een dode leeuw, en is de mens in de dood aan de beesten gelijk.'' Zo citeert Noach een bijbeltekst die pas ver na hem geschreven zal worden.

Doordat Re Jana de hoofdpersoon is, doemen er nog meer vragen op. Hoe was het voor de mensen die niet in de ark mochten? Snapten ze wat er zou gaan gebeuren? Begrepen ze iets van het geloof van Noach? Waren het echt alleen maar slechte mensen?

De vader van Re Jana heeft niet veel waardering voor het volk waartoe Noach behoort. Rratika, noemt hij hen, wat een benaming voor insecten is, ongedierte. Cham snapt bijvoorbeeld helemaal niet waarom het gezin de verlamde moeder in leven houdt. "Waarom een vrouw meesjouwen die niet beweegt als je haar beveelt?, vraagt hij Re Jana. "Ze is ons lief," antwoordt die eenvoudig.

Je hebt als lezer het idee dat Re Jana en haar gezin moreel hoger staan dan het gezin van Noach. Vooral Sem en Jafeth vertonen aardig wat nare karaktertrekken. Daardoor krijgt het iets onrechtvaardigs dat juist het gezin van Noach in de ark zal mogen en de anderen niet. Re Jana's vader zegt dan ook: ,,Alleen wie rechtschapen is wordt gespaard, heeft de bouwheer gezegd. Ik heb me afgevraagd wat dat voor ons betekent. Hebben we niet al die tijd voor je moeder gezorgd? Hebben we niet een weeskind onder onze vleugels genomen, een zwerfkind zonder manieren nog wel? Zijn we niet hardwerkende mensen die tevreden zijn met wat voor ons werk wordt gegeven? (...) Ik heb me afgevraagd wat we moeten doen om in aanzien te staan bij de god die straks het water stuurt, maar Sem en Jafeth geven me geen hoop. Het is een god voor hen alleen. Hij heeft hen uitverkoren en zij hem. Als buitenstaanders maken we geen kans.''

De vader van Re Jana vindt het niet vreemd dat de god van de Rratika boos is. "Kun je het hun god verwijten?" vraagt hij. "Hij is het moe naar de Rratika te kijken. Vader voelt zich verheven boven het volk, dat zonder zijn hulp geen boot kan bouwen, dat maar zwerft en zich niet ontwikkelt. Het is niet slecht, maar het boekt nauwelijks vooruitgang. Hun gedrag doet naar onheil verlangen, het doet hopen op een uitzuivering. Jammer alleen dat mensen die er niets mee te maken hebben evengoed worden getroffen."

Re Jana komt intussen in de gunst van Cham, maar zij is niet de uitverkoren vrouw en ze weet dus dat ze niet mee mag in de ark, hoezeer Cham ook zijn best zal doen voor haar. Zij is een van de weinigen die heel goed beseft wat er aan de hand is, wat de dreiging alleen maar zwaarder maakt.

Noach, de bouwheer, praat met God, maar kan de ramp niet afwenden. Voor zijn zonen lijkt God (de Onnoembare wordt hij steeds genoemd) op grotere afstand te staan. Ze weten dat God hen uitverkoren heeft om de vloed te overleven, maar ze hebben eigenlijk geen contact met hen. Zoals Anne Provoost het vertelt, hadden het eigenlijk net zo goed anderen kunnen zijn die gered werden. De vrouw van Jafeth houdt er zelfs andere goden op na.

De arkvaarders is een roman vol paradoxen. Re Jana verwerft zich een bijzondere positie doordat zij een van de weinigen is die in de dorre streek 'goed water' weet te vinden. Water is bijna synoniem aan leven, terwijl we dan al weten dat water later de dood zal brengen. Re Jana haalt het overigens uit een knekelgrot, uit het midden van de dood, zou je kunnen zeggen.

Paradoxaal is ook dat het gezin van Noach gered wordt, terwijl het niet de meest rechtschapen mensen zijn. De ark is hun redding, maar Re Jana noemt het een drijvende doodskist. Dat blijkt ook als tegen het einde van de zondvloed er voedselgebrek is en het voor de arkvaarders nog maar de vraag is of ze het zullen overleven. De vertwijfeling slaat toe. De vrouw van Jafeth probeert haar eigen goden gunstig te stemmen, de vrouw van Noach begaat een wanhoopsdaad en Noachs geloof wordt door de zondvloed danig op de proef gesteld. Als hem gevraagd wordt waarvan hij droomt, antwoordt hij: ,,Van de pasgeborenen. De dieren zijn gered, maar niet de pasgeborenen. Iemand moet me dat uitleggen.''

Re Jana's vader (weer zo'n paradox) probeert zich te redden op een papyrusboot, zo'n boot die in de moerasstreek juist voor de doden bedoeld was.

Anne Provoost heeft een knap boek geschreven, dat de lezer vanaf het begin bij de lurven vat en hem het verhaal in sleept. In sommige boekwinkels zal het bij de jeugdboeken liggen, maar het onderscheid tussen jeugd- en volwassenliteratuur is hier niet zo belangrijk. Als ik mij goed herinner, kreeg haar veelgeprezen en meermaals bekroonde roman Vallen (over een jongen die onder de invloed van rechts-extremistische vrienden komt) de aanduiding 15+ mee. Ik denk dat zowel jongeren als volwassenen ervan hebben genoten en door het in het vakje jeugdboeken te plaatsen doen we het tekort.

Ook De arkvaarders is in de eerste plaats literatuur, een boek dat volwassenen niet als een kinderboek terzijde moeten leggen. Het is een indrukwekkende roman, maar wel een roman die zowel in de ontwikkeling van het verhaal als in de strekking behoorlijk afwijkt van de Bijbel en er soms zelfs haaks op staat. Er wordt een afstandelijk en liefdeloos beeld van God gegeven. Van het verbond dat God na de zondvloed met de mens opricht, wordt alleen verteld: ,,Aan de drassige einder stond een regenboog waar alleen de bouwheer aandacht voor had.'' De redding van Noach en zijn gezin leveren alleen maar ontgoocheling en ontluistering op.

Dat maakt De arkvaarders een uitzichtloos en beklemmend boek. Het is een boek zonder hoop. De laatste zinnen zijn: ,,De vloed heeft het kwaad niet kunnen wissen. Tot op de dag van vandaag gaat de strijd tussen de Semieten en de nakomelingen van Kanašn voort.''