| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Analyse

Uit de verhandeling van Goedele De Cock, Universiteit Gent, 2001-2002, voor Germaanse Filologie

Handelingsverloop en thematiek van De arkvaarders

Vallen is een boek dat over racisme gaat, maar dat thema vinden we ontegensprekelijk bij De arkvaarders terug. De rechtschapenheid zien we niet alleen bij Rosalena's vader, maar is hier tevens een belangrijk gegeven. In mindere mate zouden we "het uitverkoren zijn" in De arkvaarders kunnen vergelijken met het feit dat Rosalena uit De roos en het zwijn als het ware uitverkoren wordt. De elfen hebben zich tot doel gesteld haar zo mooi mogelijk te maken.

Zowel De roos en het zwijn als De arkvaarders zijn gebaseerd op "een oud verhaal"; volgens de auteur om haar "grenzen" te kunnen "verleggen". Daarin kunnen we een evolutie zien ten opzichte van haar eerste twee jeugdboeken:

"Als ik niet het houvast van een bestaand verhaal heb, schieten mijn ideeŽn en invallen te veel verschillende kanten uit. In deze fase van mijn leven kan ik dat niet aan. Mijn eerste twee boeken waren anders, maar toen had ik geen kinderen of waren ze heel klein. Om een boek van nul af te beginnen schrijven, heb ik meer doorlopende tijd nodig: ik moet dan kunnen gaan zitten en doorwerken tot ik er bij neerval - bij wijze van spreken. Zodra er kinderen zijn, kan dat nietÖ Op dit moment vind ik het aangenamer om binnen die beperkingen van het bestaande verhaal te experimenteren dan helemaal losgelaten te worden."

Volgens Marita Vermeulen sluit De arkvaarders qua thematiek aan bij Vallen: "Ook hier worden een aantal morele kwesties aan de orde gesteld."

Re Jana, haar vader en haar moeder - moerasmensen - trekken weg uit de moerassen van Kanašn omdat het waterpeil stijgt. Ze laten zich naar de woestijn brengen door een Rrattika, Alem-de-voddige en diens zoontje Put vergezelt hen ook daarbij. Ze verhuizen meer bepaald naar een werf waar een groot schip gebouwd wordt. Die ark zal dienen om een aantal mensen en de dieren voor de dood te behoeden als de vloed komt die de bestaande wereld zal vernietigen. De auteur zegt over De arkvaarders: "Dit boek is voor mij vooral een exploratie van de waarden waarover men in mijn kindertijd in de mis en in de godsdienstlessen sprak: schuld, boete, uitverkorenheid, opoffering en berouw."

Als hoofdthema van de roman kunnen we "het uitverkoren zijn" vooropstellen. De Onnoembare, de god die de Rrattika vrezen, is in de mensheid teleurgesteld en wil met een beperkt aantal mensen, zogenaamd rechtschapenen, een nieuwe wereld oprichten. De hamvraag die bij de mensen heerst, is: "Wie wordt uitverkoren en waarom?" en daarbij speelt de vraag naar schuld eveneens een rol. Bij hun aankomst in Ararat blijkt dat de uitverkorenen geen haar veranderd zijn:

Dit waren ze, de uitverkorenen, het begin van een nieuwe mens. Niemand was veranderd. Taneses was nog steeds vraatzuchtig, Zedebab nog altijd onbenullig, Neelata nog steeds haatdragend tegenover haar moeder, Sem nog fanatiek en Jafeth nog van een gevoel van minderwaardigheid doordrongen.
p. 289.

Anne Provoost vindt "het al dan niet uitverkoren zijn" een brandend "actueel" thema . Mooi verwoord vinden we dat bij Marjoleine de Vos: "Bijna alles in dit boek lijkt wonderlijk actueel zonder dat men ook maar een moment de indruk krijgt dat de schrijfster actueel wilde zijn. Het boek is 'eeuwig', het gaat over de dingen waar het altijd om gaat en het snijdt moeilijke kwesties aan." Een thema dat daarbij aansluit, is racisme of minachting van het ene volk tegenover het andere. In het boek krijgen we te maken met wantrouwen van de donkere mensen, gepersonifieerd door Re Jana's vader, tegenover de blekere Rrattika.

Dit was het wriemelende volk dat we kenden, dat al jaren op onze lip leefde en waar ik van mijn vader niet naar mocht kijken. Nu keken zij naar ons en stonden wij hier, te midden van hun woningen, hun paden en hun huishoudens. Ik vond het mooi om te zien, maar mijn vader gruwde. Om van hun lucht af te zijn, ademde hij door zijn mond.
p. 27.

Toch reageert Re Jana zelf ook niet altijd zo positief tegenover dat volk. Wanneer ze door Jafeth afgeranseld wordt, noemt ze de Rrattika "uitschot" (zie p. 118). De naam "Rrattika" - een neologisme van de auteur - is een denigrerende term die de moerasmensen aan hen geven:

We noemden Alem en zijn verwanten Rrattika, naar de glimmende, wormachtige insecten die je niet kunt vermorzelen omdat ze al zo plat zijn dat ze onder je voet uit kronkelen. Natuurlijk hadden ze ook een echte naam: Laten-vuur-achter, een titel uit de tijd dat onze mensen nog geen vuurpotten hadden en vol angst voor wind en regen op het vertrek van de zwervers wachtten om de kooltjes uit hun kookplaatsen te halen.
p. 28 - 29.

De officiŽle benaming "Laten-vuur-achter" krijgen we in de roman enkel hier, wat erop wijst dat in elk geval Re Jana's familie alleen het vernederende begrip "Rrattika" gebruikt. We kunnen veel over de zeden en gewoonten van zowel de Rrattika als de moerasmensen lezen - wat ook Marjoleine de Vos opmerkt - en we zien dat die twee volkeren in een aantal zaken van elkaar verschillen. Over de Rrattika zegt Re Jana bijvoorbeeld:

Mijn belangstelling voor zijn volk had ik nooit goed kunnen verbergen, voor hun ritsen kinderen, voor de manier waarop ze 's ochtends de kleren waarin ze hadden geslapen schudden als watervogels hun veren, en ze van het ene ogenblik op het andere hun bezittingen tot een snoer aan elkaar haakten en over hun dieren gooiden, hun kinderen op hun heupen zetten en verdwenen. Ze konden dagenlang zonder eten, als kinderen al leerden ze wennen aan het gevoel van knagende honger. Gebrek was niet meer dan een ongemak.
p. 7.

De Rrattika dragen andere kleren dan de moerasmensen. Ze dragen lange mantels die enkel de handen en voeten zichtbaar laten, terwijl de moerasmensen normaal gezien enkel een lendendoek dragen (zie p. 13 - 14). Rrattika zijn nomaden (zie p. 26 - 27) en bovendien zijn ze vegetariŽrs (zie p. 28), niet in staat om te doden (zie p. 148). Ze leven duidelijk in een patriarchale samenleving, waarin de vrouw onderdanig is: "Ik wist heel goed dat het niet hoorde, op deze werf zeulde een man niet met berries of kruiken." (p. 39). De Rrattika hebben een speciaal gebruik om van jongens volwassen mannen te maken:

Eerst dunde hij mijn haar uit, hij knipte een deel van mijn krullen tegen mijn schedel af en liet er de dekharen overheen vallen, vervolgens spreidde hij de naalden en zakjes, waar hij zwarte kleurstof uit schudde, naast zich uit. Hij vroeg me mijn ogen te sluiten. Met de naalden maakte hij wondjes in mijn voorhoofd, hij kerfde het motief van de man.
p. 53.

Aan het einde van de roman worden de verhoudingen omgedraaid door de vloek van de bouwheer. Dan voelen de blekere mensen zich beter dan de donkere en zullen die als minderwaardig behandelen.

"Dit," riep hij, "is wat er van ons geworden is omdat we haar niet overboord gooiden. Ze is het kwaad uit de oude wereld. Haar leven sparen we omdat vrouwen nodig zullen zijn. Maar ze behoort niet tot de uitverkorenen. We zullen haar herkennen aan de kleur van haar huid, haar en al haar nakomelingen."
p. 275.

Toch moeten we eraan toevoegen dat de Rrattika van bij het begin al een zekere argwaan tegenover de moerasmensen vertonen:

De maanden verstreken en we raakten aan de Rrattika gewend. Alleen schenen zij maar niet aan ons te wennen. (...) Er ging geen dag voorbij zonder dat we opmerkingen kregen over onze donkere huid, onze gewoonten, onze taal. En altijd was het alsof we op een dag zomaar konden worden weggestuurd.(...) Zij bekeken ons en wij hen en het wantrouwen in de blikken bleef de nieuwsgierigheid overtreffen.
p. 61 - 62.

Aan het einde van de roman overschouwt Re Jana de situatie die haar en haar nageslacht te wachten staat: "Zo zou het voelen, voor altijd herkend te worden aan de kleur van je huid, en weten dat die kleur de reden is dat je luistert, dat je je schikt, waar je ook komt." (p. 288).
Met racisme kunnen we tevens het plan van de Onnoembare in verband brengen, want er komt een "zuivering" (zie p. 47) aan, een woord dat voornamelijk sinds de Tweede Wereldoorlog heel negatief geladen is.
Naast racisme spreekt onverdraagzaamheid uit de roman, met betrekking tot de dwerg. Cham verwijt hem tot de apen te behoren, maar beseft wel onmiddellijk dat hij dat niet had mogen zeggen (zie p. 161).
De uitverkorenen verzwijgen in eerste instantie "hun uitverkoren zijn" aan de massa uit angst dat die hun schip niet zouden afwerken: "Het geheim dat ze koesterden was groter en donkerder dan hun schip." (p. 71). De latere arkvaarders laten bijvoorbeeld niet los waarvoor de grote amforen dienen (zie p. 71). De dwerg - zo blijkt uit zijn lied - is op de hoogte van de plannen van de bouwheer en zingt erover. Hij geeft maar een deel van het geheim prijs. Re Jana beseft dat er "lťven op het schip" zal zijn, maar denkt dat het om een "zelfoffer" gaat (zie p. 81 - 82). Via Neelata komt ze te weten waar het schip werkelijk voor dient (zie p. 89 - 90):

Cham zwijgt voor zijn god. Het water dat wij verwachten is razend. Het zal van een huiveringwekkende schoonheid zijn, maar het zal zuigen. Het zal niet lijken op het water waarmee je onze mannen besprenkelt. Wat denk je dat er zou gebeuren als iedereen wist wat er op til is? De bouwheer maant ons aan ons rechtschapen te gedragen. Meer hoeven we niet te weten, want hoe onderscheid je rechtschapenheid van angst voor straf?
p. 90.

De arkvaarders legitimeren hun verzwijgen door te zeggen dat hun plan de Nefilim niet ter ore mag komen. Dat is wat Noach, Sem en Jafeth in elk geval aan Cham wijsgemaakt hebben (zie p. 104 - 105). Op de Nefilim komen we onder symboliek nog terug.
De bouwheer vertelt de bewoners het plan van de Onnoembare pas nadat een aantal pekkers gevallen zijn en dan nog laat hij hen in de waan. Hij laat hen in hun geloof dat er voor hen een plaats op de ark voorzien is (zie p. 108 - 109). Daarbij merkt Marita Vermeulen terecht op: "Meesterlijk toont Provoost hoe selectief mensen luisteren; ze beschermen zich tegen een onverdraaglijke waarheid door enkel datgene te horen wat in hun kraam past." Het verzwijgen of geheimhouden van dingen komt nog op vele andere manieren in De arkvaarders tot uiting. Zo verzwijgt Re Jana's familie oorspronkelijk dat het broertje bij de val van de moeder verdronken is (zie p. 155 - 156).
Re Jana, haar vader en Put verzwijgen voor de moeder het nakende onheil van de allesvernietigende zondvloed (zie p. 122 - 123). Neelata draagt een geheim met zich mee, namelijk dat ze al een keer niet uitverkoren werd (zie p. 147 - 148).
Verder beginnen de bewoners van de werf te zwijgen over de onheilstijding, "omwille van de kinderen, de ouden, de zieken en de zwakken" (zie p. 130). En door te zwijgen, gaat men naderhand vergeten (zie p. 130).
Men verzwijgt de bouwheer dat zijn vrouw zelfmoord gepleegd heeft: hij denkt dat ze bij de brand op de ark omgekomen is (zie p. 261).
De vraag naar rechtschapenheid speelt een niet-onbelangrijke rol:

Kinderen verdronken, dat wist ik, en poelen konden je ziek maken. Maar welk water hield rekening met je rechtschapenheid? En wie waren dan de verdorvenen die dood moesten? Waren dat de mannen en de vrouwen die 's nachts bij de grote tenten zongen, de voormannen met hun dansende vrouwen, de krijgers met zwaarden die op kruiden liepen te kauwen en beweerden dat ze zichzelf zagen lopen? Waren het de vrouwen van de familie een eind verderop die hun etensresten op ons pad gooiden? De man die 's nachts dronken over onze veldjes stommelde? Het kind dat een stuk van mijn spons opgegeten had?
p. 92.

Re Jana is erg onder de indruk wanneer ze de plannen achterhaalt en stelt een aantal pregnante vragen die de verschillende thema's omvatten:

"Wat is dit?" vroeg ik toen we ver van iedereen af stonden. "Wat zijn jullie van plan? Zal al wie achterblijft sterven? Is dat wat het betekent niet te zijn uitverkoren? Is rechtschapen zijn hetzelfde als in leven blijven?" p. 103 - 104.

De meeste inwoners gaan op hun gedrag letten om een plaatsje op de ark te kunnen veroveren. Ze krijgen een ontzettende angst voor wat hen te wachten staat en een heleboel mensen beseft pas op het moment van de vloedgolf dat het menens is en dat er voor hen geen plaats op de ark voorzien is. Op verschillende plaatsen in de roman is er sprake van verraad: Put die de dingen niet voor zich kan houden, de dwerg die zich daar graag mee bezig schijnt te houden. Re Jana's vader die Cham niet verraadt als opdrachtgever van de nis (zie p. 158 - 159).

Lees meer over de zonen van Noach.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!