| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Recensies

(pdf)


Eddy Van Waelderen
ToPiC, jaargang 7, nummer 4, febr.-maart 2010

Een sermoen voor ongelovigen

Het bevlogen pamflet van Anne Provoost

“Ik draai de knop niet om als er op de radio een godsdienstige uitzending komt. Ik ben benieuwd. Want die gelovigen kunnen zo heerlijk overtuigen, zo onbevangen motiveren en een preek afsteken. Wat stellen wij, als ongelovigen, daar tegenover?” Aan het woord is de bekende schrijfster en bewuste atheïste Anne Provoost. Ze wil het gesprek aangaan met de open en tolerante gelovigen over hun ‘confessie’ want die dialoog dreigt wat weg te ebben in onze contreien. En ze wil ook samen met hen de grote uitdagingen van de tijd aangaan en in het verweer gaan tegen de hang naar meer rigide modellen, grotere stelligheid en fundamentalistische strekkingen. Daarover schrijft zij een verfrissend pamflet met op het einde een heus atheïstisch sermoen. Meer dan de moeite waard om er hier aandacht aan te besteden.

Tijdens de vakantie vorig jaar las ik een roman van Anne Provoost over de zondvloed: De arkvaarders (Querido, 2001). Het is een meeslepend verhaal dat verteld wordt vanuit het oogpunt van een meisje dat met haar vader en haar verlamde moeder wegtrekt uit de moerassen om mee te werken aan de bouw van een reusachtig schip ergens in de rotswoestijn. Geleidelijk komen ze erachter waarvoor dit gevaarte moet dienen. Doorheen de spannende intrige van de roman lopen allerlei religieuze draden: Wie is die God, die steevast de Onnoembare wordt genoemd? Wie kent zijn plannen en wie mag zijn woordvoerder zijn? Wat betekent uitverkiezing en waarom moeten onschuldigen boeten? Wat betekent een rechte levenswandel en trouw? Je voelt in heel de roman ook de spanning tussen rede en geloof, tussen rechtschapenheid en scherpzinnigheid.

De God met een plan

In haar pamflet verwijst Provoost uitdrukkelijk naar die roman. En ze voegt er aan toe: "Het is goed mogelijk dat ik een overgevoeligheid heb ontwikkeld voor de god met intenties en doeleinden." De god met een plan , die dat ook kan doorvoeren en mensen kan mobiliseren om dat plan te implementeren. Maar welke maat staat er op die God met een plan? Waar schiet dat door in fundamentalisme en extremisme? Dat ‘plan’ kan zich uiten op het existentiële vlak. Dan zitten we eigenlijk in het domein de ‘voorzienigheid’ zoals gelovigen dat benoemen. Daarover schrijft Provoost: “Misschien bedoelen gelovigen die het hebben over gods plannen dat allemaal niet zo letterlijk, en is de god die je beschermt tegen een auto-ongeval slechts een beeld om aanvaarding en overgave uit te drukken?” (p.15) (Ik verwijs hier graag naar het artikel van Michel Van Bostraeten over Voorzienigheid in ToPiC jrg.6 nr.5 maart-april 2009)

Maar er zijn andere signalen die Anne Provoost meer verontrusten. De strijd rond het creationisme en meer verfijnd rond het ‘Intelligent Ontwerp’, of rond een dik en veel verspreid Turks boek waarin de evolutietheorie wordt verworpen. Hoe gaan die meningen botsen, waar gaat dat ons toe leiden? Waar wordt wetenschap onderuit gehaald, dreigen mensenrechten ingeperkt te worden en riskeert democratie vervangen te worden door theocratie? “Hoe voorkom je dat mensen in andere tijden in andere omstandigheden een goddelijke planningscel misbruiken om ongewilde doelen te bereiken? Wat als het goddelijk plan het motief wordt om niet in te grijpen als het misloopt, de aarde opwarmt bijvoorbeeld, of een homo wordt gemolesteerd?” (p.48)

Provoost voelde zich in dat opzicht altijd gesteund door de gematigde gelovigen. ‘Volgens hun gastprogramma’s zagen zij hun god niet langer als een transcendente wil, maar eerder als een kracht van liefde en schepping” (p.15). In haar ‘religiometer’ probeert ze gradaties van (on)gelovigheid in kaart te brengen. Daar zitten de gematigde gelovigen in het midden. Vanaf graad 7 verschijnt steeds duidelijker de god die plannen heeft, niet alleen met jou, maar met de hele wereld, en die plannen in wetten en regels heeft gegoten die mensen moeten leren kennen, doorvoeren en desnoods opleggen. “Het zal zaak zijn voor christenen om uit de buurt te blijven van graad tien van de religiometer, en voor moslims om zich eruit los te maken.”(p.24)

In gesprek met Provoost

Haar verzet gaat dus duidelijk tegen de interveniërende God (de ingrijp-god van Bonhoeffer). En daar vindt ze inderdaad bondgenoten in de hedendaagse open en progressieve theologie. Een exponent daarvan – in een soms wat chargerende stijl - is Roger Lenaers. Reeds in een artikel in 1991 pleitte hij voor de ‘verwerking’ en niet zomaar de ‘verwerping’ van het atheïsme en die ‘verwerkingsopdracht’ komt terug in zijn recent boek Al is er geen God-in-den-hoge (Kapellen, Pelckmans, 2009). We moeten de atheïstische kritieken op overgeleverde godsbeelden grondig ernstig nemen. Het beeld van een allesbepalende en beschikkende God is niet langer houdbaar in een modern, wetenschappelijk gekleurd wereldbeeld. Maar het doet ook niet tenvolle recht aan de transcendentie van een mee-lijdende en tegelijk oproepende God, zoals hij in Jezus gestalte kreeg. Er is dus een andere manier mogelijk om te verwijzen naar die allesomvattende dragende Oerwerkelijkheid, die zich niet alleen vertoont als ‘leven’, ‘bewustzijn’ en ‘geest’ maar ook als ‘oerliefde’ (p.201).

In dit gesprek met Anne Provoost kan Peter Schmidt ons nog een eind verder helpen. In zijn boek over de bergrede (Ongehoord. Christen zijn volgens de bergrede, Leuven, Davidsfonds, 2008) vertaalt hij in aansluiting bij de NBV de centrale bede van het Onze Vader in actieve zin:’laat uw wil gedaan worden’. De passieve betekenis van ‘uw wil geschiede’ in de zin van ‘voltrek uw wil aan ons’ of ‘laat ons vroom aanvaarden wat uw wil overzendt’ is veel meer ingeburgerd. Daarom maakt Peter een lange en fundamentele uitweiding over ‘de wil van God’ (p. 193-211). ‘De mens wikt, maar God beschikt’, ‘zo God het wil’, ‘als het God belieft’… Deze en vele gelijkaardige uitdrukkingen behoren tot het collectieve taalgoed niet alleen van het christendom maar ook van jodendom en islam. En eigenlijk hebben dergelijke uitingen veel oudere wortels in de natuurlijke religiositeit. De verwijzing naar Gods wil als het sturende principe van de gebeurtenissen hing samen met het onvermogen van de antieke religieuze mens om causaliteit anders te denken dan op een antropomorfe manier, namelijk in termen van een persoonlijke wilsbeslissing. Met andere woorden een gebeurtenis kan nooit ‘zomaar’ plaats vinden. Louter fysische en toevallige oorzaken kende men niet en kon men ook niet denken. Komt een gebeurtenis van elders dan de menselijke wil als zijn verklaringsgrond, dan wordt zij noodzakelijkerwijze ‘overgezonden’ door een hogere wil, goden, geesten, demonen enzovoort. In het antieke denken kon men nog verwijzen naar het noodlot, het fatum, de blinde kosmische ordening waar zelfs de goden aan onderworpen zijn. In het bijbelse monotheïsme waar God als transcendent ten overstaan van de kosmos wordt gedacht, was men dus genoopt ook de meest catastrofale gebeurtenissen aan de fundamenteel welwillende en liefhebbende God toe te schrijven. Vooral het probleem van onschuldig lijden wordt dan onoplosbaar. Reeds Job worstelde met die vraag. En altijd weer komt men bij het dilemma uit dat God niet tegelijk goed en almachtig kan zijn. De grondovertuiging van Darwin dat het aanvaarden van een blinde natuurlijke selectie ook meebrengt dat men moet aanvaarden dat er in deze wereld ontelbare gebeurtenissen en processen plaatsgrijpen die door niemand gewild zijn, noch door God noch door een mens, bracht de definitieve doodsteek. Dit heeft ook enorme consequenties voor het denken over ethiek en natuurwet. Zo domineerde in de kerk eeuwenlang de idee dat de manier waarop de dingen zich spontaan in de natuur voordoen, los van de menselijke wil, een aanwijzing vormt van het feit dat God het zo beschikt heeft. De encycliek Humanae Vitae van 1968 vormde er nog een levende illustratie van. Dit doet Peter de vraag stellen of ‘willen’ en ‘toelaten’ nog wel correcte begrippen zijn om na te denken over de relatie tussen God en wat er in de wereld gebeurt. Ook het spreken over ‘Gods wil’ behoort tot de metaforische taal en leert ons niet hoe God in elkaar zou steken of zich tot de wereld zou verhouden. Deze beeldende taal kan misschien nog de beste manier zijn om een relatie met God te beleven en God in liefde met elkaar te delen. Maar we mogen die taal niet méér laten zeggen dan ze kan. Het metaforische spreken over ‘Gods wil’ verwijst ons naar wat er echt toe doet in ons leven, het verwijst ons naar de diepste scheppingsgrond waaruit wij mogen leven. Met de uitdrukking ‘Gods wil doen’ belijden wij dat God in de geschiedenis te vinden is waar mensen liefde en gerechtigheid stichten. Wie bidt ‘uw wil geschiede’ engageert zich tot liefde (p.210). “In de Bergrede zegt Jezus de hele tijd dat de wil van de Vader niet als een duister noodlot boven ons hoofd hangt, maar integendeel kenbaar en klaar uitgedrukt staat in de Thora.”(p.214). Maar keren we nu terug naar het betoog van Anne Provoost.

“Beminde ongelovigen”

Zij wil een positief pleidooi houden en liefst een pleidooi dat de polarisatie niet opdrijft. Ze probeert zich ver te houden van het agressieve atheïsme in de stijl van Richard Dawkins en Sam Harris, dat zich uitslooft in bewijzen tegen het bestaan van God. En daarom probeert ze in het genre van een ‘gastprogramma’ een sermoen voor ongelovigen af te steken. “De christelijke gelovigen hebben een heldere apologie waarmee ze elkaar en hun kinderen overtuigen van wat ze de blijde boodschap noemen, maar wat is de blijde boodschap van de atheïsten?” (p.32) Provoost begint bij de verwondering over wat ik niet kan bevatten. Zij voelt zich deel uitmaken van een groter, ongrijpbaar geheel. “Ik hoef maar een Toscaanse heuvel te overschouwen, in een concertzaal te zitten, mijn geliefde in de armen te nemen, en de haartjes van mijn nek gaan overeind staan. Dat mijn kippenvel op cruciale momenten meer is dan een lichamelijke reactie, en dat er iets is waar ik kracht uit put, wat me groter maakt dan mezelf en me in vervoering brengt, is een intuïtief aanvoelen dat ik me als atheïst niet meteen uit handen wil laten slaan.”(p.26v.) Maar tegelijk stelt ze: Laten we met meer vastbeslotenheid de grens aanvaarden van wat we kunnen bevatten en benoemen. Dat vraagt overgave: ‘mijn harde schijf is te klein’. Natuurlijk gebruiken wij allemaal metaforen om het onvatbare ter sprake te brengen. Maar de niet-gelovige zal overwegend hoop putten uit wat voor de grens van het kenbare ligt, de gelovige put evengoed hoop uit wat zich erachter afspeelt. Maar Provoost wil nog een tweede stap zetten. “Het is niet voldoende om het onpeilbare onbenoemd te laten, we moeten ook een aantal begrippen terughalen. Woorden als redding en heil, hoop en troost, die in de loop der tijden helemaal met het godsbeeld verstrengeld zijn geraakt moeten door het atheïsme worden teruggenomen… Boodschappen van heil en redding, daar heeft ook de atheïst behoefte aan.”(p.42). Hier zit vast een uitdaging voor de gelovigen in, namelijk dat deze begrippen tot ons menszijn behoren en niet puur bovennatuurlijk zijn. Gelovigen worden opgeroepen om telkens weer de antropologische vulling van deze religieuze begrippen te verhelderen willen ze niet losstaan van de werkelijkheid. Anderzijds zullen zij bij deze begrippen ook steeds de theologale bron, stuwing en hoop weergeven en daar ligt juist de specifieke religieuze invalshoek. Maar laten we nog even verder grasduinen in de preek van Provoost. Naastenliefde is voor alle mensen van goede wil cruciaal, schrijft ze, een hoogstaande ethiek is niet het exclusieve terrein van de religie (p.45). Met ware bevlogenheid beschrijft ze haar overtuiging, die ook haar inzet voor een leefbare aarde schraagt; “De woorden soberheid, barmhartigheid, eerlijkheid, gelijkheid, inkeer, opoffering en zending wil ik terug. Zelfs het woord schepping wil ik reclameren. De wereld zoals hij voor ons ligt wil ik weer een gave noemen, het in stand houden ervan een opgave. Ik wil onze planeet weer als heilig beschouwen. De inzet voor het behoud ervan ervaar ik als een roeping” (p.43) Zelfs het woord ‘zonde’ – in zijn binnenwereldse betekenis dan – is voor haar geen vies woord en ze vult het op haar manier in: “Verspilling, gulzigheid, baatzucht mogen wat mij betreft weer aan het kwaad worden gerelateerd. Zoals er misdaden tegen de menselijkheid zijn, zo moeten we ook de misdaden tegen de natuur en ons milieu definiëren. Wie verdraagt dat elke avond 850 miljoen mensen op onze planeet gaan slapen met een lege maag leeft in verdorvenheid. Wie morst met onze natuurlijke voorzieningen is een zondaar, niet wie op een onconventionele manier de liefde bedrijft” (p.44).

Een eigen inbreng vanuit een specifiek christelijke invalshoek

Je komt onder de indruk van de sterke humane bewogenheid van Provoost, waarin we verregaand kunnen meegaan. Verfrissend is ook haar tegelijk respectvolle én geëngageerde manier om in dialoog te gaan met de gelovigen (iets wat helaas nog te zeldzaam is in het Vlaamse landschap). Kunnen wij van onze kant, vanuit onze gelovige overtuiging, een specifieke aanbreng doen in deze dialoog? Daar wil ik nog even op ingaan. Provoost schrijft: “De gematigde gelovigen kiezen voor een onstoffelijke god waar ze verder niets van weten, maar aan wie ze zich overgeven. Hun god is liefde, geen macht of gezag.” (p.41) Hier kan onmiddellijk die zin uit het Johannesevangelie naast gelegd worden: “Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.” (1,18). Christenen geloven in een geïncarneerde God. Dat kwalificeert op een heel eigen manier hun besef van transcendentie. Want daar draait veel van de discussie rond. Staat die transcendente werkelijkheid onverschillig tegenover mijn bestaan of is zij er juist mee begaan? Gaat het om een uitvergrote macht die mensen klein houdt of om een kracht die mensen opricht, een ‘power to empower others’? Betekent transcendent de hoogst mogelijke vorm van overstijgen en in die zin weggepromoveerd zijn of gaat het juist om de meest intieme nabijheid en dragende grond? De specifieke opvatting van het christendom waarin transcendentie en immanentie op een eigen manier samengaan is in de loop van de geschiedenis vaak overwoekerd door filosofische categorieën. Men construeerde als het ware eerst in abstracto een godsbegrip. Het gangbare taalgebruik verwijst dan vaak naar iets onovertreffelijks, oneindig volmaakt, iets ‘waarboven niets groters kan gedacht worden’ (Anselmus). Formeel wordt God als pure transcendentie, inhoudelijk als louter almacht gedacht. Dit godsbegrip is echter meer en meer problematisch geworden in onze cultuur. Deze verheven, ongenaakbare en ondoorgrondelijke transcendentie is in de moderne tijden in opeenvolgende golven onkenbaar (Kant), onbelangrijk (deïsme) of onbestaande (atheïsme) verklaard. Of het perverteerde tot wat Provoost noemt “een master brain in de cockpit van de schepping dat alles bestuurt, vanaf de achtste graad ook het lot van wie niet in hem gelooft” (p.41). Maar er is een heel andere weg om te bewandelen en dus ook een andere ontvouwing van de religiometer uit te werken. Christenen zullen allereerst in de leer gaan bij de bijbel die uiterst concreet en bepaald over God spreekt. De Gans Andere is ons ook volstrekt nabij gekomen. Hij is wezenlijk op mensen betrokken. De bijbel zegt ons dat het hoogste, waarboven niets te denken valt, juist deze menslievendheid is, deze vrije toewending van God tot ons. In deze zelfopenbaring, in dit engagement, in deze macht van de liefde heeft God eens en voorgoed getoond wie Hij in diepste wezen is. Deze daad zegt meer over Hem dan alle mogelijke en wellicht zinvolle speculaties over het ‘Hoogste Wezen’. Omdat God zijn diepste Woord in een mens heeft uitgesproken, staat de menselijke waardigheid en de zorg voor de humane ontplooiing onomstotelijk in het hart van het christendom. Ook hier kunnen we verwijzen naar een zin uit de Eerste brief van Johannes: “Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons tenvolle werkelijkheid geworden.” (4,12). Dus toch een God met een plan? Ja, maar niet als een goddelijke superingenieur die de contingente gebeurtenissen stuurt. Wel als Stem in het gebeuren, als appèl en belofte, als weerloze kracht van de liefde die telkens weer de bestaande orde openbreekt en nieuwe mogelijkheden biedt, als onpeilbare opening en hunker in de mens. Soms denk ik dat God puur verlangen is. Een verlangen waar alle behoeftigheid uit is weggefilterd. Of liever: een diep verlangen dat juist midden de behoeftigheid en nooddruft, midden de angst, het heimwee en de agressie, pure nooit aflatende bron is, lokkende stuwende roep naar waarheid, goedheid en schoonheid.

  • Anne PROVOOST, Beminde ongelovigen. Atheïstisch sermoen. Pamflet, Amsterdam-Antwerpen, Querido, 2008

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!