| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

De religiometer

Meet hier hoe religieus u bent op van schaal van 1 tot 10

Klik hier voor de religiometer in powerpoint

De religiometer is een meetinstrument waarmee je op een schaal van tien kunt nagaan hoe (on)gelovig iemand is. Met deze meter wordt het levensbeschouwelijke spectrum in schijven opgedeeld, vertrekkend vanuit de vraag ‘Hoe ziet het universum eruit?’. Afhankelijk van welke basiservaring een persoon onderschrijft, stijgt zijn graad van gelovigheid. Het instrument is onder meer bedoeld om in kaart te brengen op welk moment gematigdheid van religie overgaat in fundamentalisme.

Noot: Gelovigheid wordt hier gedefinieerd als een geloof in een supermateriële kracht die het universum bestiert. Het betreft hier dus niet de bredere betekenis van ‘geloven in’: vertrouwen geven, of je hoop stellen op iets, op de toekomst bijvoorbeeld.


Op de graden 1 en 2 staan de niet-gelovigen. Zij zijn atheďstisch en adeďstisch.
Eerste graad:
“Ik sta in de wereld, maar ik heb op geen enkele manier het gevoel dat ik deel uitmaak van wat ik ‘een groter geheel’ zou noemen.”


Graad 2 onderscheidt zich van graad 1 omdat een (niet-religieuze) spiritualiteit zijn intrede doet.
Tweede graad:
“Ik leef met het gevoel dat ik deel uitmaak van een groter geheel. Ik voel een zekere verbondenheid met die grootheid, dat wil zeggen met de wereld, de mensheid en het heelal, maar ik geloof geen moment dat het grotere geheel afhangt van een kracht die buiten de wetten van de natuurkunde valt. Als in situaties van zogenaamde singulariteit de natuurwetten niet meer opgaan, is er voor mij nog altijd geen sprake van iets bovennatuurlijks, wel van andersoortige, aan relativiteit onderhevige natuurwetten.”
Noot: Duidelijk wordt dat niet alles wat ‘religie’ wordt genoemd een hoge graad haalt op de schaal. Het boeddhisme, bijvoorbeeld, doet zich al voor vanaf graad 2. Velen bestempelen het boeddhisme dan ook niet als een godsdienst, maar als een levensfilosofie.


Na de atheďsten van de tweede graad komen de agnosten. Agnosten vinden dat je over het grotere geheel geen uitspraken kunt doen. In de praktijk betekent deze zienswijze dat het agnosticisme rekening houdt met de mogelijkheid dat er een supra-materiële kracht is die alles bestiert. Dit onderscheidt hen wezenlijk van de atheďsten die dit niet tot de mogelijkheden rekenen.
Derde graad:
“Ik leef met het gevoel dat ik deel uitmaak van een groter geheel, maar ik vind dat ik niet kan weten of de grootheid die ik ervaar binnen of buiten de wetten van de natuurkunde valt.”


Vervolgens komen de ietsisten. Zij zijn slechts een kleine stap verwijderd van het deďsme, maar vermoedelijk is voor hen concept ‘god’ te beladen om te hanteren.
Vierde graad:
“Ik geloof dat de grootheid die ik ervaar wel degelijk iets is wat de wetten van de natuurkunde overstijgt, maar ik noem het bewust niet ‘god’. Ik vind geen enkel begrip goed genoeg, dus ik opteer voor ‘iets’: ‘Er moet toch íéts zijn!’”


De vijfde graad is deďstisch. Deďsten geloven in een god, maar denken niet dat die god verder over enig vermogen of macht beschikt.
Vijfde graad:
“Ik geloof dat de grootheid die ik ervaar een bovennatuurlijke kracht is. Ik noem die ‘God’. God staat buiten de materie en kan alles zijn. Het is een aanwezigheid, meer is er niet van bekend."


Vanaf de zesde graad is iedereen theďstisch. De onstoffelijke kracht van graad 5 is verpersoonlijkt.
Zesde graad:
“Ik geloof in een bovennatuurlijke kracht die ik ‘God’ noem. God bezit menselijke kenmerken. Hij is een aandachtige, verpersoonlijkte aanwezigheid. Hij kan liefde voelen, teleurgesteld zijn, hoop koesteren. Hij is volstrekt onmachtig, maar Hij weet wel alles van me want ‘de haren op mijn hoofd zijn geteld’.”


Vanaf de zevende graad doet de god met het plan zijn intrede, een concept dat centraal staat bij de aanhangers van Intelligent Design.
Zevende graad:
“God is meer dan een aandachtige, verpersoonlijkte aanwezigheid. Hij heeft ook plannen met me. Die plannen zijn niet altijd even doorgrondelijk.”


Achtste graad:
“God heeft niet alleen plannen met mij, Hij heeft ook plannen met de wereld en met de andere mensen, met álle andere mensen, of ze nu gelovig zijn of niet. Niets gebeurt zonder Zijn betrokkenheid.”


Negende graad:
“God omschrijft Zijn plannen en doelstellingen zo duidelijk dat er wetten en regels uit af te leiden zijn. De meeste wetten en regels betreffen de menselijke ethiek. Verder bepaalt Hij mijn visie op het ontstaan van hemel en aarde, leven en dood, god en mens. Er zijn straffen voorzien voor wie zich niet aan de regels houdt, en beloningen voor wie dat wel doet, zoals er ook straffen zijn voor wie de visie op het universum die wordt voorgeschreven niet aanvaardt, en beloningen voor wie dat wel doet. Hoe er zal worden verloond is niet altijd duidelijk, maar ik ga ervan uit ‘dat God me niet zal teleurstellen’.”


In de tiende graad komt de religiositeit potentieel in conflict met de burger- en mensenrechten. In een doorgeschoten vorm kan de tiende graad immers betekenen dat ‘God’ de gelovige als instrument inschakelt om op te treden wanneer iemand de door ‘God’ voorgeschreven visie en wetten niet aanvaardt. Het risico bestaat dat de stap wordt gezet naar morele of fysieke dwang.
Tiende graad:
“Omdat God zijn doelstellingen op aarde alleen door de mens kan bereiken, zet Hij mij in om Zijn wetten en regels te openbaren, toe te lichten (‘te spreken in tongen’), te implementeren, af te dwingen. Ik ben Zijn instrument, en als Zijn instrument ben ik inzetbaar.”

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!