| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Analyse

Verschenen in Vooys, tijdschrift voor letteren, jaargang 26 nummer 1
Door Anne Provoost

Over het atheïstisch sermoen: Beminde ongelovigen

Dit sermoen schreef ik voor de pamflettenreeks van Querido. In dat pamflet ontwerp ik een religiometer. Dat is een standaard waarmee je de religiositeit van iemand kunt meten op een schaal van 1 tot 10. Ik ben uitgegaan van de twee grote vragen van het leven: wat is onze plaats in de kosmos? En ten tweede: hoe word ik een goed mens?

Ik maak er nogal een punt van dat religiositeit gaat over die eerste vraag. De tweede kun je zonder godsbeeld beantwoorden. Dat is een belangrijke ontkoppeling. Als ik een probleem in kaart wil brengen maak ik graag gebruik van een glijdende schaal. De (on)gelovigheid trapsgewijs benaderen, met de gradaties van de religiometer, kan voorkomen dat alle gelovigen en alle religies op één hoop worden gegooid. De meter levert voor elke wereldgodsdienst afzonderlijk een heel verschillend beeld op. Een schaal heeft het nadeel dat hij trapsgewijs loopt, en dus wellicht nuances overslaat. Maar hij hakt het probleem in stukjes, waardoor het overzichtelijker wordt.

Op de graden 1 en 2 zitten de atheïsten. Daarna komen de agnosten. Ze worden gevolgd door de ietsisten. De vijfde graad is deïstisch. Deïs­ten geloven in een god, maar denken niet dat die god verder over enig vermogen of macht beschikt. Van­af de zesde graad is iedereen theïstisch. In de tiende graad komt de religiositeit potentieel in conflict met de burger‑en mensenrechten. Ik maak bij elke graad een aantal stellingen, zodat elke lezer voor zichzelf kan uitmaken waar hij zich bevindt op de waardeschaal.

De religiometer maakt duidelijk dat ik gelo­vig noem wie in supermateriële kracht gelooft. Dat strikte onderscheid voorkomt dat er verwarring is met die andere betekenis van ‘geloven in’: vertrou­wen geven, of je hoop stellen op iets, op de toekomst bijvoorbeeld.

De religieuzen die ik heb ervaren tijdens mijn opgroeien zaten op graad 5 tot 7 van mijn religiometer. Tien jaar terug ging het debat over religie heel erg over de vraag: hoe ben ik een goed mens? Het debat zat helemaal in die ethische hoek. Door creationisme en Intelligent Design is de interesse weer verschoven naar de vraag: wat is mijn plaats in de kosmos? Men heeft het weer over de vraag of god bestaat of niet en over de vraag: is er zoiets als een intelligent plan? En als er een intelligent plan is, wat dan als straks de zeespiegel stijgt? Godsdiensten kunnen kabbelen en rustig naast elkaar leven tot het spannend wordt, tot er schaarste heerst, en dan zullen die discussies op de spits worden gedreven. Dan zullen we ons de vraag moeten stellen: gaan wij er iets aan doen of gaat die god van ons er iets aan doen? Dat het debat over een god met een ontwerp in protestants Nederland sneller wordt opgenomen dan bij ons heeft me niet verbaasd: in ontstaansland USA is het creationisme een protestants ontwerp. Bij ons wordt over die letterlijke lezing van de Bijbel altijd wel al wat schamper gedaan. En Vlaanderen is veel verder ontkerkelijkt dan Nederland. Maar ik denk dat we reden hebben om daar niet meer zo gerust in te zijn.

Ik stel in mijn pamflet een actieplan op, daar begint dan mijn sermoen. Een van de dingen waar we op moeten letten is dat er een altijd een ontkoppeling is van de twee grote levensvragen. In oktober 2007 stuurden prominente moslimgeleerden aan de paus een brief met het verzoek om de gemeenschappelijke kenmer­ken van hun beider godsdiensten uit te spellen. Wat hen bindt, zegden ze, zijn hun twee belangrijkste ei­genschappen: hun geloof in één enkele god en de liefde voor hun naaste. Dat schrijven leek een gebaar van ver­zoening, en is vast ook met de beste bedoelingen op­gesteld. Alleen bevat het een impliciete aanfluiting die de niet-gelovigen te makkelijk over hun kant la­ten gaan. Zeggen dat wat moslims en christenen ge­meenschappelijk hebben hun god is, en de liefde voor hun naaste, is even absurd als zeggen dat wat ze gemeen hebben hun god is, en de voorliefde voor schoonheid, of hun god, en hun vreugde om het le­ven. Liefde voor hun naaste is immers geen onder­scheidend kenmerk van het christendom en de is­lam. En zo heb ik een aantal actiepunten zoals de recuperatie van een aantal termen die aanwijsbaar niets te maken hebben met de vraag of god bestaat of niet: erbarmen, schuld, boete...

Ik roep vooral op om een atheïstische argumentatie in te oefenen. Als mij wordt gevraagd of ik in een god geloof, wil ik niet moeten zeggen ‘nee’, ik wil kunnen zeggen ‘laat mij jou eens vertellen waar ik in geloof’, ik wil er iets tegenover kunnen stellen. Als we alleen maar blijven herhalen dat we niet in een god geloven, wekken we bij gelovigen de indruk dat we in niets geloven, en dat is niet zo. Onverschilligheid kan een goed teken zijn: geloof of ongeloof zijn geen staatszaak, er wordt niet om gevochten, er hangt niets meer van af, geen baan, geen relatie, geen aanstelling. Je gezindte is ontkoppeld van je persoon, waardoor hij letterlijk heel persoonlijk kan worden. Maar desinteresse kan leiden tot verlies van uitdrukkingsvermogen. Mensen weten of ze niet echt gelovig of echt niet gelovig zijn, maar ze hebben geen manieren om dat te motiveren. En waarom zouden ze, ze worden er al jaren niet meer om gevraagd. Het speelveld van de levensbeschouwing ligt er verlaten bij. We hebben het onderwerp in een diepe put gegooid en kijken er niet meer naar om.

Zonder een goed actieplan met een duidelijke terminologie zullen we het van de dogmatisch-religieuze krachten niet halen. Hun begrippen en legenden zijn nu eenmaal beter dan de onze. Wij hebben niet een grote, een breed publiek aansprekende atheïst met dramatische levensloop en een heldere boodschap die met de messiassen en de profeten van de gelovigen kan concurreren, we zullen iets anders moeten vinden.

Vast zijn die debatten in het verleden al gevoerd, toen ik nog te jong was om ze te begrijpen. Maar ik hoor ze niet meer. Mensen van mijn generatie en jonger couldn’t care less. De attitude die ik ervaar bij mijn leeftijdsgenoten, van welke gezindte ook, is er een van wat kan mij dat schelen, hebben we niet belangrijker dingen te doen? Zelf denk ik in mijn beste momenten: dit is geen prioriteit. Maar toch… God was in Nederland in 1997 het thema van een boekenweek. Bij ons lijkt dit soort zaken ondenkbaar. Als je een brainstorm zou moeten houden over top tien van de minst sexy onderwerpen in dit land, dan zou god goed scoren, denk ik.

De arkvaarders gaat natuurlijk over religie, ik hervertel daar het Bijbelse verhaal van de ark van Noach. Veel mensen hebben gedacht dat het een religieus boek was. De receptie van het boek in Amerika was erg interessant. Een goede ontvangst op literair vlak, maar ik kreeg heel verontwaardigde mails van gelovigen die vonden dat ik het verhaal onteerde. Ik plaats het verhaal helemaal in zijn eigen tijd, vier- tot zesduizend jaar geleden. Mijn hoofdpersonage heeft nog niet het eigentijdse ideaal van een monogame liefde. Dat heb ik heel bewust gedaan omdat ik weet dat in de loop van al die jaren de zeden enorm zijn veranderd. Monogamie is een recent verschijnsel en is artificieel. Niet dat er niet goed mee valt te leven, ik vind monogamie erg comfortabel, maar de fetisj is van onze tijd, niet van de mens in de oudheid. Hetzelfde geldt ook voor ander morele opvattingen. Heeft altijd iets bestaan als moederliefde? Wie voedde wanneer de kinderen op?

Het kan met mijn achtergrond te maken hebben, maar nog steeds vind ik van alle religieuze verhalen die ik ken de Jezuslegende de mooiste. In dit verhaal is het woord vlees geworden in een knappe dertiger, vredelievend als een lam. Hij is geen onbestemde Messias ergens in de toekomst, maar iemand met een moeder en met volgelingen, waar hij ook historische bewijskracht uit put. De geschiedschrijving zit dan natuurlijk vol contradicties, want er zijn vast een hoop messiassen geweest wier verhalen allemaal in elkaar over zijn gevloeid. Het levert niet alleen historische contradicties op, ook contradicties in het gedachtegoed. Nu ben ik er altijd van uitgegaan dat je een denkrichting niet moet afrekenen op zijn contradicties. Alleen met de nodige contradicties kan een filosofie interessant zijn.

Wat ik een heel mooie contradictie vind is die van de adoratie van het menselijk lichaam. De mens is zo mooi dat hij wel door een god moet zijn geschapen. We zijn doordrongen van de gedachte dat er heel veel schoonheid zit in het menselijke lichaam. Maar als god zou moeten meedoen aan een designwedstrijd, dan denk ik niet dat hij zou worden gekwalificeerd. We drinken en ademen via dezelfde opening, waardoor ieder jaar honderden mensen de verstikkingsdood sterven. Het plekje van ons lijf dat ons het meeste plezier moet verschaffen, is ook de doorgang van onze urine. Van veel van onze levensbelangrijke organen hebben we een dubbel, behalve van de allerbelangrijkste, namelijk ons hart. Onze armen scharnieren verkeerd, er zijn plaatsen op onze rug waar we niet bij kunnen. We moeten drie keer per dag eten om ons goed te blijven voelen, en we moeten altijd op zoek naar een tweede huid omdat we volstrekt niet zijn opgewassen tegen temperatuurschommelingen.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!