| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Favorieten

Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

De moederblik

Niemand heeft me ervoor gewaarschuwd dat moederliefde zo veel te maken heeft met lichamelijkheid. Ik dacht dat moederliefde in de eerste plaats met de persoon van een kind van doen had, met liefde voor een individu, met de ziel of de geest. Maar tot mijn verbazing is moederliefde in hoge mate lichamelijk, een soort verslingerdheid aan vingers en teentjes die meteen na de geboorte begint, en vervolgens niet ophoudt. Dat kind is er en ineens stel je vast dat je tijd opgaat aan gesnuffel en geaai, en in telkens weer, wel honderd keer per dag, dat kleine voetje in je hand nemen.

Het strelen en snuiven, de vreugde omdat een kind na het bad weer schoon is, een lok krult of een tand doorkomt, gaat over in een drang om getuige te zijn, te kijken, te fotograferen. Mij was niet verteld dat ik ooit blijheid zou voelen omdat een ander zich had ontlast, er fysieke opluchting bij zou voelen. Ik was niet gewaarschuwd voor het ongemak dat ik zou ervaren bij een wond op het lijf van een ander, een schram, een buil. En ik had geen idee dat ik er jaren na de kleutertijd nog aan verknocht zou zijn te zien hoe de torso van een jongen van elf zowel de kenmerken van de kippenborst als van de stoere bast in zich draagt, en hoe de rug van het meisje van negen zich kromt als ze zich kamt. Ik wist niet dat, wanneer mijn zoon voor het eerst op kamp ging, ik in gedachten met hem mee zou gaan, met hem diep de bossen in zou gaan zonder mijn huis te verlaten.

Ook als de stakerigheid van de puberteit zijn intrede doet blijft het oog verslaafd; je kijkt nog lang nadat je is duidelijk gemaakt dat aanrakingen niet meer gewenst zijn.
Ik ben op bezoek bij mijn moeder en loop door haar huis. Mijn voeten zijn maat achtendertig ondertussen, maar ook nu nog weet ik dat ze naar me kijkt. Ik herken de oogopslag die niets liever wil dan dat kinderen vechten voor hun brok, zich de maaltijd laten smaken, de tuin in lopen, de afwas vergeten.
We gaan de kamer waar mijn kinderen slapen binnen, controleren of de dekens niet zijn losgewoeld. We herschikken kussens en lakens in stilte, niets wijst op de verrukking die we voelen. Ik herinner me deze kamer van toen ik er sliep, hoe mijn moeder de deur open maakte, naar binnen kwam en weer verdween, nog ייn keertje naar ons kijken voor de nacht inzette.

Nu ik hetzelfde doe, kijkt zij twee keer: naar mijn kinderen en naar mij. We hebben het er nooit over, ze zegt enkel: 'Die afwas, laat die maar. Ga schrijven nu het kan.' Dan keert ze haar blik van me af, trekt zich terug met haar boek, ik met het mijne, zijn we voor korte tijd moeder noch dochter.
Los van elkaar merken we het op, ik als ik schrijf, zij als ze schildert: kijken doet gedijen. Zonder ingrijpen staan we toe dat de kleintjes spaghettisaus morsen. In onze oogopslag zit het genot, de drang om het kind te zien groeien, het de goede richting uit te duwen. Als het erin slaagt de lepel naar zijn mond te brengen jubelen we. Zo ontstaat het gevoel van succes, zo worden kinderen groot, gedragen door ons gadeslaan.

Als kind mocht ik mee naar de school waar ze lesgaf. 'Grote' kinderen waren dat, meisjes op de rand van de volwassenheid. Haar blik was dezelfde, hij supporterde, hij stond missers toe vanwege het 'graag zien'.

Misschien is dat wat er gebeurt als je het huis van je moeder verlaat: je laat haar achter, maar haar oog neem je mee, het heeft zich aan je vastgehaakt als kliskruid, en het wordt je amulet. Waar je ook gaat, hoe ver je ook wegtrekt, je behoudt het gevoel van 'graag gezien worden' waardoor je groei kan blijven doorgaan, ook al ben je al lang groot.

Anne Provoost

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!