| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Favorieten

Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Interviews

Zone 09, 2 april 2008
Evelyne Coussens, beeld Johannes Vande Voorde

'Het appčl van het leven overrompelt mij’

Anne Provoost is een felle. Een succesvolle schrijverscarričre en een levendig huishouden heeft haar blik op de wereld niet vertroebeld, en ze bespeurt in die wereld heel wat dingen die voor verbetering vatbaar zijn. Als curator van Zogezegd in Gent, het openingsfestival van de Literaire Lente, haalde Provoost de omstreden fenomenale feminateek van Boon naar Vooruit. ‘Bij die plaatjes dacht ik vooral: ‘Hoe aandoenlijk’’.

Zogezegd in Gent stelt, veertig jaar na mei ’68, een aantal vragen bij de grote thema’s die toen aan de orde waren: seksuele revolutie, ecologische beweging, politieke gelijkheid… Is de utopie nog steeds aan de macht? Wat is er geworden van de visionaire literatuur uit die tijd? En wordt er nog literatuur geschreven over onze toekomst?

Je bent geboren in 1964. Heb jij de naweeën van de mei ’68 revolutie bewust meegemaakt?

Anne Provoost: ‘Ik weet niet of dat naweeën waren. Veel mensen van mijn generatie zullen je vertellen dat mei ’68 in Vlaanderen maar is begonnen in de jaren zeventig. Zelfs mensen die 1968 bewust hebben meegemaakt zeggen soms dat ze er niets van gemerkt hebben – tenzij ze misschien net toen in Leuven zaten, nog niet gebonden aan een job en niet meer aan de middelbare school... Ik voel me een kind van de seventies, pas toen ben ik bewust geworden. Ik herinner mij die eerste hete zomers. Ik had toen voortdurend bloedneuzen, heel vervelend. Als ik denk aan mijn jeugd zie ik mezelf staan in 'den hof', met een bloedneus. (lacht) Ik woonde op het platteland, dus nieuwe impulsen bereikten ons erg gefilterd. In de stad merkte je wel dat er nieuwe vrijheden ontstonden: plots was er in het straatbeeld een andere omgang met elkaar, het modebeeld veranderde, de mannen kregen lang haar en baarden… Maar wij? Ik keek nauwelijks tv, ik liep altijd buiten. Het grote werk is dus gedaan door mensen die ouder zijn dan ik.’

Hoe zat het met je literaire bewustzijn in die tijd?

‘Je had in die tijd natuurlijk Ik, Jan Cremer en Gangreen, maar ik was vooral geďnteresseerd in boeken die gingen over het vrouwelijke perspectief op seksualiteit. Pas nu, zoveel jaar later, ben ik bezig met het ontdekken van Jef Geeraerts, omdat ik wil weten hoe relevant zijn boeken vandaag nog zijn. Ik heb tijd nodig gehad om mijn verontwaardiging over dat mannelijke perspectief op vrouwen los te laten, om de ethiek te laten passeren en de esthetiek van dat schrijven te zien. Maar ik merk ook dat mij uit die tijd veel ontgaan is. Ik had moeilijk toegang tot boeken en ik was ook veel bezig met zelf schrijven, toen al, en met sociale activiteiten, jeugdbeweging en zo. Ik heb altijd heel erg in de praktijk van het leven gestaan.’

Andere schrijvers sluiten zich af van de wereld in hun eigen universum. Bij jou is dat duidelijk niet het geval.

‘Ik ben makkelijk te enthousiasmeren. Het appčl van het leven overrompelt mij: ‘natuurlijk moet dat gebeuren, natuurlijk moeten we handelen.’ Daarover gaat Zogezegd ook: over de vraag of wij nog handelen, of we nog bezig zijn met onze toekomst, en hoe zich dat uit in onze literatuur. Mei ’68 is een vertrek- en referentiepunt, maar Zogezegd wordt geen nostalgisch ding. Het festival moet de blik op de toekomst richten.’

Wat is er overgebleven van de toekomst van dat verleden, van die utopieën van toen?

‘Dat zijn de vragen die ik tijdens het festival wil stellen, en ik schrik er een beetje voor terug ze nu al te beantwoorden. Maar ik weet dat iedereen die ouder is dan veertig deel uitmaakt van een ‘het kan niet blijven duren’-generatie. In de jaren zeventig ging het voor het eerst sinds de wereldoorlogen weer over schaarste, een begrip dat decennialang verdwenen was. Ik herinner me de autoloze zondagen, het rolschaatsen op de autostrades en het besef: ‘Iemand gaat ooit de kraan dichtdraaien.’ Dat besef was de motor voor verandering. Dat bewustzijn leeft nu meer dan ooit, maar het gaat gepaard met een traagheid die me verbijstert – er is echt niet veel tijd meer. We spreken niet over de volgende generaties, maar over problemen die jij en ik nog gaan meemaken. Ik vind het onthutsend hoe traag de politiek daarop reageert.’

Moeten mensen in het algemeen en schrijvers in het bijzonder dan op de barricaden kruipen?

‘Ik kan enkel voor mezelf spreken, maar voor mij is reageren een categorische imperatief – ik kan niet anders. Daarom vind ik niet dat het voor anderen moet. Maar persoonlijk ben ik doordrongen van het geloof dat alles altijd beter kan. Als er iets fout loopt is mijn eerste vraag altijd ‘Waar kan ik beter, wat kan ik doen? Wat zijn mijn mogelijkheden?’ Dat is een intuďtieve reflex. Veel mensen maken automatisch de rekening van anderen – ‘Zij moeten het oplossen’ –, terwijl ik eerst mijn eigen aandeel onderzoek. Dat klinkt erg katholiek, ja.’ (lacht)

Na de rel rond de feminateek van Louis Paul Boon heb jij ervoor gestreden de collectie naar Gent te halen. Waarom was dat belangrijk?

‘De rel heeft een aantal dingen duidelijk gemaakt. Ten eerste moeten we ons geen zorgen meer maken over de vraag of we wel vrij omgaan met erotiek en pornografie, aan de reacties hebben we gemerkt dat er een grote consensus bestaat over het feit dat we de oude preutsheid ver achter ons ligt. Ten tweede hebben we gezien dat er sinds enige tijd wel een duidelijk taboe is ontstaan rond alles wat met kinderseksualiteit te maken heeft. Auditief zal ik de feminateek volledig aan het publiek kunnen voorstellen, maar visueel stelt het strafwetboek tegenwoordig duidelijke beperkingen als het afbeeldingen van kinderen betreft. Ik kan me vinden in die wet: hoezeer men in de jaren zestig ook vond dat kinderen libertijns moesten worden opgevoed, kinderporno heeft altijd te maken met een machtsverhouding.

Hebben sommige beelden uit de feminateek je geraakt?

‘De onschuld van sommige beelden heeft indruk gemaakt. ‘Hoe aandoenlijk’ dacht ik, ‘hoe amechtig, hoe schattig toch.’ Grote en kleine borstjes, tjoepkes omhoog en tjoepkes naar beneden. Als ik zou mogen kiezen wat mijn dochter van dertien ziet, zou ik liever hebben dat ze dit ziet dan al die gephotoshopte lijven van vandaag. Jonge mensen van nu zien maar één soort naakt. En als ze dan bij hun lief liggen is het toch dat niet. (lacht) Anderzijds zitten er ook echt rauwe beelden tussen, zonder enige esthetiek: lelijke goedkope bedden met synthetische lakens. Dan denk ik: ‘Als ik geprikkeld wil worden zie ik liever wat schoon satijn en een antiek meubel.’ Maar misschien is de vrouwelijke blik daarop anders dan de mannelijke – nog iets dat ik op het festival wil onderzoeken: de blik. Wat denken vrouwen van mannen die kijken naar vrouwen? Weten we dat we bekeken worden en spelen we dat spel mee? Hoe trekken we onze grenzen en trekken mannen en vrouwen dezelfde grens? Ik wil vooral geen verhaal vertellen van een oorlog tussen de seksen, de verhouding tussen mannen en vrouwen is veel complexer dan dat. Opnieuw vertrek ik vanuit een bewustzijn waarvan ik behoorlijk doordrongen ben: ‘Wat is mijn aandeel hierin, wat heb ik uit te spelen?’ Dat zijn de echte emancipatorische vragen.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!