| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Favorieten

Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Interview

Vooys, tijdschrift voor letteren, maart 2008, Jaargang 26 nummer 1, pag 51-59.

Praten en terugpraten

Anne Provoost: Een boek schrijven is voor mij een act van communicatie. Ik zou niet schrijven als er geen lezers bestonden. De communicatie tussen mij en de lezer verloopt in twee fases, helemaal anders dan in een gesprek. Eerder zoals de briefwisseling: een eerste waarbij ik aan het woord ben, de lezer is er nog niet, dus ben ik mijn eigen eerste lezer, best een uitdaging. Dan volgt een tweede fase waarbij de lezer met mijn tekst alleen is. De lezer praat dan in zijn hoofd tegen mij terug.

Dat ik er zo tegenaan kijk heeft literair-technische gevolgen. Ik accommodeer de lezer in bepaalde mate, maar ik geef hem ook te werken. Voor ik begin te schrijven, bouw ik bij wijze van spreken een huis van Lego-blokken. Maar voor ik de lezer de blokken aanbied, breek ik het huis eerst weer zorgvuldig af. De blokken zijn nog heel als de lezer ze krijgt, ik deconstrueer niet tot puin, maar de lezer krijgt toch niet meer dan een doos blokken en moet aan de slag. Hij moet de blokken weer in elkaar zetten om het verhaal te begrijpen. Als een lezer bij me terug komt en vraagt: ‘Is dit het huis dat je in gedachten had?’ dan is dat eigenlijk een foute vraag. Het is onnodig en onmogelijk voor de lezer om hetzelfde huis te bouwen als wat ik in gedachten had. Ik geef hem de vrijheid om zelf te ontwerpen. Niet elke interpretatie is goed, maar veel interpretaties zijn goed.

En dan is er ook een derde fase, die van de voordrachten, lezingen en interviews. Die is bijna tegennatuurlijk. Literatuur is niet bedoeld voor die confrontatie. In het verleden was het fysiek en geografisch uitzonderlijk dat de schrijver en de lezer in the flesh tegenover elkaar stonden. Nu kan een beetje literatuurliefhebber in de loop van zijn leven wel aanwezig zijn op een live ontmoeting met J.M. Coetzee, Hugo Claus of Annie Proulx. Al waren er ook in het verleden al uitzonderingen, natuurlijk. Iemand als Hans Christian Andersen had best veel contact met zijn lezers. Hij legde per diligence duizenden kilometers af en was maanden van huis weg.

Als ik een verzoek krijg om over mijn boeken te praten, zeg ik wel eens: ‘Alles wat ik te zeggen heb, staat in het boek’. Als ik toch op de uitnodiging inga, dan is dat omdat ik verwacht dat mijn lezers terugpraten. Ik begrijp de nood van lezers om de conversatie met de schrijver te voeren heel goed. Ik heb dat zelf ook met mijn favoriete schrijvers. Er ontstaat een soort vriendschap, een verliefdheid omdat je zo diep in de ziel van die ander hebt mogen kijken, en omdat hij zich helemaal aan je blootgaf. Je vermoedt een geestelijke verwantschap. Dat is een mooi gevoel waar je verder niets mee aan kunt, want de schrijver kan er niet aan beantwoorden.

Soms ga je naar je lezer toe om zijn verwachtingspatroon te doorbreken. Mijn laatste boek In de zon kijken heeft trekjes van een bolwassing. Lezers beginnen aan het verhaal met de verwachting dat ze zullen achterhalen wie, wat, waar en wanneer, zoals in de film. Aan het begin valt er een dode, en het verhaal dat de lezer verwacht kan alleen nog gaan over hoe het zo ver is kunnen komen. In de zon kijken gaat erover dat de vraag hoe en waarom iemand verongelukt meestal niet interessant is. Bij de fatale gebeurtenissen die ik om me heen zie, is de oorzaak van het ongeluk alleen relevant voor de roddels, de kranten, het gezoem onder de mensen. Voor de getroffenen zelf is het hoe en waarom ongrijpbaar, te ingewikkeld voor woorden. Er zit geen enkele bron van troost in, want zelfs als je achterhaalt wie de fouten heeft gemaakt, waar de schuldige zit, hoe het ongeluk vermeden had kunnen worden, brengt het op geen enkele manier je geliefde terug.

In Hollywood-drama’s krijg je inzage in hoe het dramatische hoogtepunt is ontstaan. In de werkelijkheid is het dramatische hoogtepunt er zonder dat je er erg in hebt. Geen opbouw, niet reconstrueerbaar, te triviaal voor woorden, meestal. Iets gewoons wordt een paar seconden ongewoon, waarna het gewone ogenblikkelijk weer terugkeert. In de zon kijken gaat over die banale wetten van heirkracht. Ik wilde bewust van die klassieke filmische opbouw afwijken. Ik wilde een boek schrijven in twaalf hoofdstukken, met elk hun eigen spanningsboog. Het moest een kortverhalenstructuur in de roman zijn, of de roman als kortverhalenbundel.

De keuze voor deze structuur had te maken met het kinderlijke perspectief. Zoals het boek is opgebouwd, zo herinner ik me mijn jeugd: als een aaneenschakeling van momenten waarvan ik het verband niet zag, en tot vandaag niet kan ontwarren. Het ene moment is in mijn herinnering fel overbelicht, het andere is duister. Ik kan mij gesprekken voor de geest halen met mijn grootmoeder die waarschijnlijk volstrekt onbelangrijk zijn geweest. Maar van haar begrafenis weet ik niets meer, die is aan me voorbij gegaan. Ik was in dit boek op zoek naar een authentieke kinderstem. Ik wilde weten waarom mijn hoofdpersonage Chloe bepaalde dingen onthoudt en andere niet. Algauw blijkt dat ze verslag doet van zaken die alleen op het eerste gezicht banaal zijn. Aan het einde van elk hoofdstuk wordt duidelijk wat de impact is van de kleine voorvallen: ze komt iets te weten wat haar diep treft, of ze maakt aan haar omgeving iets duidelijk. Ik wilde met dit boek een automatische modus van lezen ontwrichten. Ik ontmoet lezers die daar moeite mee hebben. Ze willen per se weten of de moeder in het vierde hoofdstuk echt zelfmoord wilde plegen, of gewoon een spel speelt met zichzelf. Het antwoord op die vraag zullen ze van mij niet krijgen. Ik denk niet dat de moeder in mijn verhaal het zelf weet. Ze is in shock en in rouw om de dood van haar man, ik geloof niet dat ze zelf helemaal begrijpt waarom ze doet wat ze doet.

Het boek of de film

Literatuur kan vandaag niet anders dan een antwoord bieden op het medium film. Als literatuur klakkeloos nabootst wat film doet, maakt het zichzelf overbodig. Het heeft geen andere keuze dan de film te bevragen. Er zijn dingen die je niet kunt in een boek, een strijkkwartet inschakelen, bijvoorbeeld. Maar het boek heeft ook heel wat wat de film niet vermag. Het biedt de vrijheid om beelden op te bouwen voor een geestesoog. En het heeft de taal. In sommige boeken wordt die taal aangewend om op de gedachten van het personage in te gaan, dat kan een film veel minder goed. Ik maak in In de zon kijken de tegenovergestelde keuze. Ik benut de mogelijkheid om de gedachtewereld van mensen weer te geven nauwelijks. Omdat ik wilde weten hoe zich de literatuur verhoudt tot de film was ik vooral in de blik en in het kijken geïnteresseerd.

Je kunt als je schrijft vertrekken van de gevoelens en de beweegredenen van je personages, en die vervolgens toelichten in hun handelingen. Ik maak de omgekeerde beweging: ik vertrek bij de gedragingen, en het is aan de lezer om het gedrag te interpreteren. Dat is het tegendraadse van In de zon kijken. De kijker is getuige, en er is geen verteller in de buurt die hints geeft, of filosofische toelichting. Dat heeft gevolgen voor de instapklaarheid van de roman. Vreemd toch wel, want in de film wordt het feit dat niemand de gebeurtenissen van commentaar voorziet als heel gewoon ervaren.

Ik vind het moeilijk om een boek te lezen dat is opgebouwd volgens het stramien van toelichten en uitleggen omdat ik last heb van de bagage waar ik mee loop. Als ik vandaag naar Hamlet ga kijken, dan is dat helemaal anders dan voor de tijdgenoten van Shakespeare. Toen was Hamlet een excentriekeling, iemand die obsessioneel met de dood bezig was en wou sterven, en toch momenten van grote ondernemingskracht vertoonde, zo erg dat hij wraak zocht en doodde. Als ik diezelfde Hamlet vandaag zie, met de blik van mijn tijd, dan denk ik vooral: ‘Deze jongen is manisch-depressief, geef hem medicatie en goeie psychologische begeleiding in plaats van hem zo in zijn verscheurdheid te laten wegzinken.’ Dat stelt de regisseur of de bewerker van oude stukken vandaag voor een dubbele uitdaging. Als hij er niet voor zorgt dat hij het stuk helemaal uit elkaar haalt en de kijker de ruimte biedt om met de bouwblokken aan de slag te gaan, ontstaat er een problematische voorstelling. Dan krijg je een analyse waarvan je weet dat hij niet meer standhoudt omdat er nieuwe inzichten zijn, en wordt het stuk een tijdsdocument eerder dan een artistiek product.

Waar gebeurd of verzonnen

Fictie vraagt lenigheid van de geest. Het vermogen om iets te verzinnen wat er niet is onderscheidt ons van de dieren en maakt ons menselijk. Fictie is de enige manier om naar de toekomst te kijken. Ik maak me zorgen over de ontfictionalisering van onze omgeving. Vooral jongens en mannen hoor je zeggen: ‘Ik lees graag, maar alleen over dingen die echt gebeurd zijn.’ Visionaire gedachten, apocalyptische, utopische, zijn belangrijke hersenoefeningen. Fictie vergt een grotere rekkelijkheid van de geest dan non-fictie.

Ik ben geboren in 1964. Ik denk dat de jaren zestig warme dagen waren waarop alles mogelijk was en kon en op de helling stond. Vandaag staan we opnieuw voor ‘warme dagen’, maar in een andere betekenis. We graaien tussen de brokstukken van gebroken idealen. Wat vinden we? Valt er iets nieuws uit op te bouwen? Hebben we nog een literaire visie op de toekomst. Tijdens mijn opgroei hadden we bakens in de tijd: 1984, 2000. Nu zijn we open wateren opgevaren. Er zijn alleen nog achterhaalde data en gepasseerde maatschappelijke deadlines . In ’68 zeiden we: fictie en verbeelding moeten de realiteit bepalen. Durven we dat nu nog te zeggen? We zijn bang voor de toekomst, want er zijn eigenlijk alleen maar wangeluiden. We moeten ons voor het eerst in de geschiedenis echt afvragen of we in de toekomst nog zullen bestaan. Zelfs tijdens de koude oorlog, toen het ook leek alsof een globale vernietiging dichtbij was, bleven we met zijn allen geloven dat de situatie onderhandelbaar was. De Rus­sen hielden ook van hun kinderen, dus met voldoende goede wil zou er wel een oplossing komen. Vandaag is het anders. Met smeltende gletsjers en stijgend zee­water kun je niet marchanderen.

Er staat een groot taboe op apocalyptisch denken. Je brengt geen goed nieuws, dus je kunt beter zwijgen. Terwijl je diezelfde mensen die je daarvan beschuldigen wel apocalyptisch zult zien denken op een heel ander vlak. Dan gaan ze zich zorgen maken over kinderen en televisie, of kinderen en seks. We hebben geen uitweg voor ons kernafval, maar met kernafval kunnen we risico's nemen. Kernafval is voor het jonge kind dus minder gevaarlijk dan een stel homo-ouders, want daar wordt dan weer geen risico genomen.

Over het atheïstisch sermoen: Beminde ongelovigen

Het sermoen schreef ik voor de pamflettenreeks van Querido. In dat pamflet ontwerp ik een religiometer. Dat is een standaard waarmee je de religiositeit van iemand kunt meten op een schaal van 1 tot 10. Ik ben uitgegaan van de twee grote vragen van het leven: wat is onze plaats in de kosmos? En ten tweede: hoe word ik een goed mens? Ik maak er nogal een punt van dat religiositeit gaat over die eerste vraag. De tweede kun je zonder godsbeeld beantwoorden. Dat is een belangrijke ontkoppeling. Als ik een probleem in kaart wil brengen maak ik graag gebruik van een glijdende schaal. De (on)gelovigheid trapsgewijs benaderen, met de gradaties van de religiometer, kan voorkomen dat alle gelovigen en alle religies op één hoop worden gegooid. De meter levert voor elke wereldgodsdienst afzonderlijk een heel verschillend beeld op. Een schaal heeft het nadeel dat hij trapsgewijs loopt, en dus wellicht nuances overslaat. Maar hij hakt het probleem in stukjes, waardoor het overzichtelijker wordt.

Op de graden 1 en 2 zitten de atheïsten. Daarna komen de agnosten. Ze worden gevolgd door de ietsisten. De vijfde graad is deïstisch. Deïs­ten geloven in een god, maar denken niet dat die god verder over enig vermogen of macht beschikt. Van­af de zesde graad is iedereen theïstisch. In de tiende graad komt de religiositeit potentieel in conflict met de burger‑en mensenrechten. Ik maak bij elke graad een aantal stellingen, zodat elke lezer voor zichzelf kan uitmaken waar hij zich bevindt op de waardeschaal.

De religiometer maakt duidelijk dat ik gelo­vig noem wie in supermateriële kracht gelooft. Dat strikte onderscheid voorkomt dat er verwarring is met die andere betekenis van ‘geloven in’: vertrou­wen geven, of je hoop stellen op iets, op de toekomst bijvoorbeeld.

De religieuzen die ik heb ervaren tijdens mijn opgroeien zaten op graad 5 tot 7 van mijn religiometer. Tien jaar terug ging het debat over religie heel erg over de vraag: hoe ben ik een goed mens? Het debat zat helemaal in die ethische hoek. Door creationisme en Intelligent Design is de interesse weer verschoven naar de vraag: wat is mijn plaats in de kosmos? Men heeft het weer over de vraag of god bestaat of niet en over de vraag: is er zoiets als een intelligent plan? En als er een intelligent plan is, wat dan als straks de zeespiegel stijgt? Godsdiensten kunnen kabbelen en rustig naast elkaar leven tot het spannend wordt, tot er schaarste heerst, en dan zullen die discussies op de spits worden gedreven. Dan zullen we ons de vraag moeten stellen: gaan wij er iets aan doen of gaat die god van ons er iets aan doen? Dat het debat over een god met een ontwerp in protestants Nederland sneller wordt opgenomen dan bij ons heeft me niet verbaasd: in ontstaansland USA is het creationisme een protestants ontwerp. Bij ons wordt over die letterlijke lezing van de Bijbel altijd wel al wat schamper gedaan. En Vlaanderen is veel verder ontkerkelijkt dan Nederland. Maar ik denk dat we reden hebben om daar niet meer zo gerust in te zijn.

Ik stel in mijn pamflet een actieplan op, daar begint dan mijn sermoen. Een van de dingen waar we op moeten letten is dat er een altijd een ontkoppeling is van de twee grote levensvragen. In oktober 2007 stuurden prominente moslimgeleerden aan de paus een brief met het verzoek om de gemeenschappelijke kenmer­ken van hun beider godsdiensten uit te spellen. Wat hen bindt, zegden ze, zijn hun twee belangrijkste ei­genschappen: hun geloof in één enkele god en de liefde voor hun naaste. Dat schrijven leek een gebaar van ver­zoening, en is vast ook met de beste bedoelingen op­gesteld. Alleen bevat het een impliciete aanfluiting die de niet-gelovigen te makkelijk over hun kant la­ten gaan. Zeggen dat wat moslims en christenen ge­meenschappelijk hebben hun god is, en de liefde voor hun naaste, is even absurd als zeggen dat wat ze gemeen hebben hun god is, en de voorliefde voor schoonheid, of hun god, en hun vreugde om het le­ven. Liefde voor hun naaste is immers geen onder­scheidend kenmerk van het christendom en de is­lam. En zo heb ik een aantal actiepunten zoals de recuperatie van een aantal termen die aanwijsbaar niets te maken hebben met de vraag of god bestaat of niet: erbarmen, schuld, boete...

Ik roep vooral op om een atheïstische argumentatie in te oefenen. Als mij wordt gevraagd of ik in een god geloof, wil ik niet moeten zeggen ‘nee’, ik wil kunnen zeggen ‘laat mij jou eens vertellen waar ik in geloof’, ik wil er iets tegenover kunnen stellen. Als we alleen maar blijven herhalen dat we niet in een god geloven, wekken we bij gelovigen de indruk dat we in niets geloven, en dat is niet zo. Onverschilligheid kan een goed teken zijn: geloof of ongeloof zijn geen staatszaak, er wordt niet om gevochten, er hangt niets meer van af, geen baan, geen relatie, geen aanstelling. Je gezindte is ontkoppeld van je persoon, waardoor hij letterlijk heel persoonlijk kan worden. Maar desinteresse kan leiden tot verlies van uitdrukkingsvermogen. Mensen weten of ze niet echt gelovig of echt niet gelovig zijn, maar ze hebben geen manieren om dat te motiveren. En waarom zouden ze, ze worden er al jaren niet meer om gevraagd. Het speelveld van de levensbeschouwing ligt er verlaten bij. We hebben het onderwerp in een diepe put gegooid en kijken er niet meer naar om.

Zonder een goed actieplan met een duidelijke terminologie zullen we het van de dogmatisch-religieuze krachten niet halen. Hun begrippen en legenden zijn nu eenmaal beter dan de onze. Wij hebben niet een grote, een breed publiek aansprekende atheïst met dramatische levensloop en een heldere boodschap die met de messiassen en de profeten van de gelovigen kan concurreren, we zullen iets anders moeten vinden. Vast zijn die debatten in het verleden al gevoerd, toen ik nog te jong was om ze te begrijpen. Maar ik hoor ze niet meer. Mensen van mijn generatie en jonger couldn’t care less. De attitude die ik ervaar bij mijn leeftijdsgenoten, van welke gezindte ook, is er een van wat kan mij dat schelen, hebben we niet belangrijker dingen te doen? Zelf denk ik in mijn beste momenten: dit is geen prioriteit. Maar toch… God was in Nederland in 1997 het thema van een boekenweek. Bij ons lijkt dit soort zaken ondenkbaar. Als je een brainstorm zou moeten houden over top tien van de minst sexy onderwerpen in dit land, dan zou god goed scoren, denk ik.

De arkvaarders gaat natuurlijk over religie, ik hervertel daar het Bijbelse verhaal van de ark van Noach. Veel mensen hebben gedacht dat het een religieus boek was. De receptie van het boek in Amerika was erg interessant. Een goede ontvangst op literair vlak, maar ik kreeg heel verontwaardigde mails van gelovigen die vonden dat ik het verhaal onteerde. Ik plaats het verhaal helemaal in zijn eigen tijd, vier- tot zesduizend jaar geleden. Mijn hoofdpersonage heeft nog niet het eigentijdse ideaal van een monogame liefde. Dat heb ik heel bewust gedaan omdat ik weet dat in de loop van al die jaren de zeden enorm zijn veranderd. Monogamie is een recent verschijnsel en is artificieel. Niet dat er niet goed mee valt te leven, ik vind monogamie erg comfortabel, maar de fetisj is van onze tijd, niet van de mens in de oudheid. Hetzelfde geldt ook voor ander morele opvattingen. Heeft altijd iets bestaan als moederliefde? Wie voedde wanneer de kinderen op?

Het kan met mijn achtergrond te maken hebben, maar nog steeds vind ik van alle religieuze verhalen die ik ken de Jezuslegende de mooiste. In dit verhaal is het woord vlees geworden in een knappe dertiger, vredelievend als een lam. Hij is geen onbestemde Messias ergens in de toekomst, maar iemand met een moeder en met volgelingen, waar hij ook historische bewijskracht uit put. De geschiedschrijving zit dan natuurlijk vol contradicties, want er zijn vast een hoop messiassen geweest wier verhalen allemaal in elkaar over zijn gevloeid. Het levert niet alleen historische contradicties op, ook contradicties in het gedachtegoed. Nu ben ik er altijd van uitgegaan dat je een denkrichting niet moet afrekenen op zijn contradicties. Alleen met de nodige contradicties kan een filosofie interessant zijn. Wat ik een heel mooie contradictie vind is die van de adoratie van het menselijk lichaam. De mens is zo mooi dat hij wel door een god moet zijn geschapen. We zijn doordrongen van de gedachte dat er heel veel schoonheid zit in het menselijke lichaam. Maar als god zou moeten meedoen aan een designwedstrijd, dan denk ik niet dat hij zou worden gekwalificeerd. We drinken en ademen via dezelfde opening, waardoor ieder jaar honderden mensen de verstikkingsdood sterven. Het plekje van ons lijf dat ons het meeste plezier moet verschaffen, is ook de doorgang van onze urine. Van veel van onze levensbelangrijke organen hebben we een dubbel, behalve van de allerbelangrijkste, namelijk ons hart. Onze armen scharnieren verkeerd, er zijn plaatsen op onze rug waar we niet bij kunnen. We moeten drie keer per dag eten om ons goed te blijven voelen, en we moeten altijd op zoek naar een tweede huid omdat we volstrekt niet zijn opgewassen tegen temperatuurschommelingen.

Over jeugdboeken, jeugdige lezers en identificatie

Waarom zou voor kinderen de identificatie in literatuur groot moeten zijn? In een boek moet toch ook altijd een element van wrijving zitten, anders is het niet interessant. Ik ga uit van mijn eigen leeservaring. Een boek dat gaat over een 43-jarige vrouw die met drie kinderen in Antwerpen woont en die probeert haar gezin met het schrijven te combineren wil ik niet lezen. Dat gaat over mij, dat is zo vervelend als wat. Een goed boek zoekt naar dat wankele evenwicht tussen identificatie en vervreemding. Een boek dat uitsluitend identificatie teweeg brengt is voor mij pulp. Een goed boek doet zeer, het strijkt tegen de haren in. Volledige identificatie is wat er gebeurt in een reclamespot. Dat zijn instapklare karakters: ze zijn mooi, slank, ontspannen, er is niemand die niet zegt: zo wil ik zijn, die wereld wil ik instappen. Ik denk dat literatuur zich daar juist tegen afzet.

De innerlijke schoonheid van het harige monster

Ik zeg wel eens dat meisjes over hun afkeer van het harige monster heen moeten komen, dan pas zijn ze seksueel rijp. Hiermee bedoel ik niet dat meisjes beter in staat zijn innerlijke schoonheid te zien. Wat ik bedoel is dat meisjes beter lijken op zichzelf als volwassen vrouw dan jongens. Bij jongens is de verandering radicaler, een vrouw lijkt als ze volwassen is meer op een kind dan een man. We worden allemaal hariger, maar de harigheid is extremer bij mannen. Onze stem verandert niet zo drastisch, we worden niet zo hoekig, we krijgen geen baard. Een man mag niet op een kind lijken om een man te kunnen zijn, maar een vrouw moet bij voorkeur zo veel mogelijk op een kind lijken om vrouw te zijn. Een vrouw mag niet verruwen en mag niet harig worden en mag niet hoekiger worden. Het is zowel voor de jongens als de meisjes schrikken als plotseling die jongens zo veranderen. Het duurt een tijdje voor het meisje die plotseling veranderde partner weer gewoon is, er weer verliefd op kan worden. Als al die jonge meisjes zo van paarden houden, dat is dat omdat ze de overgang maken. Ze hechten zich aan een harig beest met heel mooie ogen. Ze leren om verliefd te worden op de man die in hun ogen in eerste instantie eigenschappen heeft die meer overeenstemmen met het paard dan met het jongetje dat ze gekend hebben.
Maar de liefde van dat paard is ‘ no strings attached’, want dat is eigenlijk een liefde die ze tamelijk goed in de hand heeft. Ze kan die stopzetten wanneer ze wil. Het paard zal geen avances maken.

Ik denk dat jongens evengoed in staat zijn innerlijke schoonheid te zien. Zowel jongens als meisjes moeten voorbij die lichamelijke obstructies zoals menstruatiebloed en haren op de rug. Ze moeten daaraan voorbij om tot echte rijpe liefde te komen, tot seksualiteit die meer is dan een technische verzoening tussen ledematen, maar die ook iets zegt over overgave en over betrokkenheid, of dat nu voor drie jaar is of voor zestig jaar. Ik heb absoluut niet het gevoel dat jongens daar niet doorheen moeten gaan. Maar het is natuurlijk geen toeval dat het verhaal van de Schone en het Beest gaat over een mooie vrouw en een lelijke man. Als het zou gaan over een lelijke vrouw en een mooie man… dat raakt nergens aan ons collectief onderbewuste, dat is gewoon iets anders, dat is een alternatief, dat is grappig, daar kun je veel mee doen in een verhaal, maar het is niet iets waar we allemaal het gevoel bij hebben dat het verteld moet worden.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!