Nieuws
Werk
   -Alle
   -Bewerkt/Verfilmd
   -Vertaald
   -Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Dissertaties
   -Favorieten

Audio/Video
Foto's
Contact

Interview

Stavele hoort het verhaal van de verdwenen kinderen

Anne Bovyn voor De Krant van West-Vlaanderen

Anne Provoost: “Dit voelde aan als een last call”

STAVELE – Leo Bonte, projectverantwoordelijke ’14-’18 van de Alveringemse cultuurdienst, blijft maar mooie verhalen en projecten ontdekken voor de herdenking van Alveringem in de Groote oorlog. Anne Provoost, schrijfster uit Borgerhout maar met West-Vlaamse roots, is bezig met een boek over de vele kinderen die tijdens de oorlog naar Frankrijk werden weggebracht. Op uitnodiging van Leo komt Anne het verhaal van haar grootmoeder en groottante zondag in Stavele vertellen.

Schrijfster Anne Provoost past net een week op het huis van haar ouders Gabriel Provoost en Jeanne Louwagie in Poperinge als wij haar willen interviewen. Komt goed uit, want zo hoeven wij niet naar Borgerhout! De schrijfster probeert er in alle rust verder te werken aan haar huidige boek ‘Kinderen van de IJzer’. Het is het verhaal van Annes grootmoeder, Anna Vandewalle uit Boezinge die als kind in april 1915 met haar familie samen met vele anderen op de vlucht slaat voor de gasaanval. Ze vinden een veilig nest in Stavele, op de boerderij van nonkel Jules Baes en tante Lucie. Wat later wordt de 9-jarige Anna, samen met haar kleine broertjes en zusjes op de trein richting Parijs gezet. “Als ik het verhaal van mijn grootmoeder en de vele andere kinderen niet neerschrijf, is het weg. En dat zou zonde zijn”, meent Anne.

Reusachtig veel

“Mijn boek “Kinderen van de IJzer” over de koloniekinderen, gaat over reusachtig veel kinderen”, vertelt Anne Provoost. “Naar schatting tussen de 11.000 en 16.000 kinderen uit de Westhoek werden – in de hoop op een beter leven – naar Frankrijk gebracht. De Belgische overheid schoot in gang na de eerste gasaanval in Boezinge. Ineens werd voor iedereen duidelijk dat een gevaarlijke frontzone zonder degelijk onderwijs, maar met des te meer angst, chaos en ongeregeldheden geen plek was voor een kind. Naast hun bezorgdheid voor de veiligheid waren de oorlogsministers ook bang voor de verwildering van een hele generatie. Op 22 april 1915 was er de gasaanval in Boezinge. Het huis van mijn grootmoeder lag pal achter het front. Het hele gezin is dus letterlijk voor de gaswolk gevlucht. In hun geval was dat tot in Stavele waar op een hoeve in de Krombekestraat nonkel Jules Baes en tante Lucie woonden. Niet iedereen had het geluk van een veilig toevluchtsoord te hebben! Zes weken na de gasaanval werd een eerste konvooi van driehonderd kinderen zonder hun ouders uit de streek geëvacueerd. Ze werden begeleid door Vlaamse onderwijzers en kloosterzusters die hen in Frankrijk zouden onderrichten. Mijn grootmoeder Anna Vandewalle, toen negen, mijn grootvader, toen veertien, mijn dertien grootooms en –tantes, allemaal kinderen Vandewalle, zaten op dat eerste konvooi. Ze hadden geen idee waar ze naartoe gingen. Aan hun ouders was gezegd dat ze hoogstens een paar maanden zouden wegblijven. Uiteindelijk bleven vele kinderen vier jaar weg. En even goed keerden velen nooit meer terug. Mijn overgrootouders waren boeren en zij konden of durfden de boerderij in Stavele niet te verlaten om in Parijs bij hun kinderen op bezoek te gaan. Het klinkt vreselijk en het is ook zo, maar van pure ellende zagen de meeste ouders geen andere uitweg dan hun kinderen te laten gaan. Toen mijn grootmoeder na 4 jaar in juli 1919 naar haar ouderlijke huis terug keerde, herkende ze haar eigen moeder niet meer”.

Gescheiden

“Ik stel me voor hoe het moet zijn geweest voor deze boerenkinderen om in de Gare du Nord van Parijs aan te komen”, mijmert Anne. “Kinderen die nooit verder waren geweest dan Ieper of Diksmuide! Ze werden naar een transitcentrum gebracht om te worden gewassen en ontluisd. Jongens en meisjes werden van elkaar gescheiden, dus ook broertjes en zusjes, ook al hadden hun ouders hen op het hart gedrukt dat ze voor elkaar moesten zorgen. Mijn grootmoeder werd met haar zusjes en nichtjes naar een pand in hartje Parijs gebracht, ‘Les Enfants de l’Yser’ in de Parijse Rue de la Santé. In de authentieke dagboeken van de nonnen lees je dat het leven in Parijs voor mijn grootmoeder op vele vlakken wellicht beter was dan dat het in de Westhoek zou zijn geweest. Zo was er vrij goede lichamelijke hygiëne, was er goed onderricht en lekker eten. Maar er zijn ook heel andere verhalen van kinderen die honger hebben, van strenge straffen vanwege de zusters en censuur op de brieven die de kinderen naar huis schreven. Dat ze dikwijls honger heeft geleden, dat heeft mijn grootmoeder ook vaak verteld”.

Zoektocht

Bij het schrijven van dit boek wil Anne de verschillende waarheden tegenover elkaar zetten. Haar zoektocht naar informatie leidde naar de zusters van het pensionaat in Parijs, de zusters in het klooster van Veurne, historici, heemkundigen en familieleden. Zelf geeft Anne heel wat lezingen. Het resulteerde in een nieuwe golf van getuigenissen. En in een boek dat iets later dan gepland in de winkel zal liggen.
“Ik heb al respons nog voor het boek geschreven is,” glimlacht Anne. “Heel wat mensen vertrouwden me doodgezwegen verhalen toe. Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat de hele Westhoek dit oorlogsverleden achter zich heeft kunnen laten en niet massaal getraumatiseerd achterbleef. Ook mijn grootmoeder vertelde niet gemakkelijk over de oorlog die zowat haar hele kindertijd heeft beheerst. Wist ze misschien niet waar te beginnen? De belangrijkste reden is, denk ik, het opbod dat moet hebben geheerst rond het lijden. Wie heeft er nu het meest geleden? De mensen die op de frontlijn bleven wonen? De soldaten? Of de kinderen die weg moesten van huis? Ik denk dat mijn grootmoeder de boodschap zal hebben gekregen dat ze veel geluk heeft gehad en dat dat haar heeft doen zwijgen…”

Aangepast verhaal

“Dit voelt aan als een last call,” geeft Anne nog mee. “Ik was vijftig toen ik aan het boek begon, de oorlog was honderd jaar voorbij. Voor mij leek het een scharniermoment. Ik voelde me als schrijfster aangesproken en verantwoordelijk. Het verhaal van de kinderen van de IJzer mag niet worden vergeten. Ook niet als na de geweren ook de herdenkingsklaroenen zullen zwijgen. Zondag kom ik graag naar Stavele met een aangepast verhaal voor en over Stavele. Ik zal er focussen op het verhaal van mijn groottante Marie, een ‘ongelukkig’ kind. Ook zij verhuisde naar Parijs maar kwam nooit terug. Het legt een link met de vele vluchtelingenkinderen die op vandaag ook spoorloos zijn. Mijn fragmenten worden afgewisseld met oorlogsliederen door de West-Vlaamse muziekgroep Kotjesvolk”. De grootmoeder van Anne Provoost overleed in 1989.

Momenteel is er nog één koloniekind in leven. Hij is 103 jaar.

Anne Bovyn voor De Krant van West-Vlaanderen

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!