| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Favorieten

Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Interviews

Tijd-Cultuur van De Financieel-Economische Tijd, 18 maart 1998
Hans Vandevoorde

Schuld en Boete bij Anne Provoost

'Een goed kinderboek is altijd leuk voor volwassenen, zoals de klassieken van de wereldliteratuur ook vaak door kinderen te lezen zijn', zei Hans Magnus Enzensberger in een recent interview. Ook De roos en het zwijn van Anne Provoost heft de grens op tussen jeugd- en volwassenenliteratuur. Het boek werd zopas met de Boekenleeuw bekroond, de prijs voor het beste jeugdboek.

Rudy Kousbroek schreef ooit een gedicht Belle en het beest. In dat gedicht verandert een prins uit Henegouwen zich in een Beest, omdat Belle voor 's nachts een beest met een ruige vacht verkiest boven een ordinaire Prins. Kousbroek keert hier het bekende sprookje van De schone en het beest om. In het sprookje wordt het Beest immers een prins als Belle erin toestemt met hem te trouwen. Ook Anne Provoost bewerkte voor haar derde boek De roos en het zwijn dit bekende zestiende-eeuwse sprookje. Zij volgt het vrij getrouw. Het is het verhaal gebleven van de jongste van drie zussen die de oogappel is van haar vader. Uit liefde voor haar maakt hij zich schuldig aan het plukken van rozen uit de tuin van een monster. Om zijn leven te redden neemt zij zijn plaats in.

Provoost heeft dit verhaal wat meer psychologische uitdieping gegeven en iets minder magie. Bij Provoost wordt het beest op het einde geen prins en het is ook helemaal geen beest, maar een herenboer. De belangrijkste toevoeging van Provoost is dat het meisje (Rosalena) eerst een verhouding heeft met een knobbelzwijn, als het ware een prefiguratie van haar relatie met de mismaakte Thybeert. Dit varken - een seksueel symbool bij uitstek - leert haar achter uiterlijke lelijkheid schoonheid te waarderen en met het verlies van dit varken verliest zij tevens voorgoed een soort primitieve aanhankelijkheid.

Waarom neemt iemand anno jaren negentig een middeleeuws sprookje als stof voor een boek?
Ik ben bij De schone en het beest gekomen door een houterige animatiefilm. Niet die afgezwakte Disneyversie, want die bestond nog niet. Die zou mij overigens ook geen beetje geïnspireerd hebben. Heel de oedipale thematiek is weg van het meisje dat alleen maar seksueel rijp kan worden als zij zich seksueel kan distantiëren van haar vader. Toen ik de geanimeerde versie zag herinnerde ik mij dat, toen ik al lang van alle sprookjes af was, dit het enige sprookje was dat mijn interesse bleef vasthouden. Blijkbaar omdat het veel explicieter appelleerde aan de leefwereld van de dertien-, veertienjarige. Mijn hernieuwde interesse voor het verhaal heeft enerzijds te maken met het gegeven van innerlijke versus uiterlijke schoonheid, maar anderzijds ook met heel die thematiek van een meisje dat eigenlijk eerst moet leren dat een man geen beest is voor ze zich seksueel kan overgeven. Ik vermoed dat alle meisjes op een bepaald moment van hun leven door zo'n stadium van afkeer voor mannen moeten. Voor hen zijn het aanvankelijk harige wezens; ze hebben een zware stem, zijn lelijker, knokiger en ze hebben zo'n vreselijke piemel. Pas als ze die afkeer van dat harige monster hebben overwonnen, zijn ze seksueel rijp.'

Provoost vindt het niet zo erg dat de plot van De roos en het zwijn tijdens het schrijven door de sprookjesstof gestuurd werd en evenmin dat die stof tot het geliefkoosde speelgoed van psychoanalytici behoort. Ze kreeg wel als verwijt te horen dat ze de befaamde interpretatie van Bruno Bettelheim in The Uses of Enchantment (1975) volgens het boekje zou toepassen. Daarop repliceert ze dat ze er pas kennis van nam na de eerste versie van De roos en het zwijn, die een zestal jaar geleden ontstond. 'Waar ga je het nog over hebben als je de hele psychologie moet vermijden: de relatie met de geliefde, met de vader en de moeder, met het kind? Het is niet omdat je Freud toepast, dat je een aanhanger bent. Je kunt het gewoon niet niet weten. Ik kan het boek over de Ark van Noach, waaraan ik tijdens de eerstvolgende maanden wil werken, niet schrijven en doen alsof Darwin er niet is geweest. Er zullen ongetwijfeld verwijzingen zitten naar vinken met verschillende bekjes. Moeten ze mij daarom komen vertellen dat ik niet van Darwin losgekomen ben? Ik zou toch geen modern mens zijn! Heel die mode van het geringschattend doen over gevestigde waarden, ik ben daar nog niet klaar voor. Ik wil voor Freud en Darwin eerst een volwaardig alternatief.

Grens

De verdienste van De roos en het zwijn is vooral de schriftuur. In een lichtjes archaïserende taal heeft Provoost een gepast equivalent gevonden voor haar middeleeuwse stof. Behalve wat literatuurderige metaforen en een aantal kleine eigenaardigheden in de plot is dit een perfect verteld verhaal dat veel zogenaamde volwassenenliteratuur naar de kroon steekt. Het verscheen dan ook bij Querido zowel in het volwassenen- als in het jeugdfonds. 'Ik was er mij van bewust dat wie het ter hand zou nemen de gedachte zou moeten overwinnen dat hij te oud is voor sprookjes. Verder ben ik er niet bij blijven stilstaan. Ik heb trouwens een heel goed argument om het in een jeugdfonds te publiceren: het boek gaat over het seksueel actief worden van een meisje en de schuldgevoelens die ze daarbij heeft. Dat is een thema van vijftienjarigen.' Er werd in recensies wel gesuggereerd dat de liefde voor een beest te ver ging voor een jeugdboek. 'Ik vind dat, zeker zodra een kind twaalf is, het alles moet weten van bestialiteit tot vrouwenbesnijdenis. Alle excessen die we kennen zijn het gevolg van onduidelijkheden. Nu zijn kinderen gemakkelijke slachtoffers omdat ze niet goed weten wat seksueel kan en niet kan.'

De roos en het zwijn is geschreven met een merkbaar plezier in het vertellen. Provoost zegt zelf dat ze bij dit boek niet aan de boodschap wou denken, maar aan het verhaal. 'Al in mijn studententijd droomde ik ervan een heel realistische versie van Sneeuwwitje te schrijven. De schone en het beest gaf me de mogelijkheid om veel op korte tijd te vertellen en cru te stellen zonder dat ik met allerlei ethische en morele consequenties rekening moest houden. Ik kon het veel meer tempo geven door dat mythische, middeleeuwse. Als zou blijken dat er een boodschap in zit, dan moet het maar zo.' Toch krijgt ze soms het verwijt moraliserend en humorloos te zijn. 'Ik kan mij daartegen niet verdedigen. Ik denk dat ik in het dagelijks leven redelijk te doen ben en niet vreselijk zwaarmoedig ben. Zit dat dan niet in mijn boeken? Ik vind humor heel moeilijk.'

Provoost hoefde zich voor het soort verhalen als De roos en het zwijn en over de Ark van Noah bijlange niet zoveel te documenteren als voor haar vorige succesboek Vallen (1994) of voor het Afrikaboek over de vriendschap tussen een Westerse en een Afrikaanse vrouw, haar volgende grote project. 'Zo'n verhaal als De roos en het zwijn is veel minder concreet of controleerbaar. Het bevat beelden uit onze collectieve fantasie - zoals over een huis bouwen of te paard zitten - of dingen die ik onthouden heb uit lectuur, zoals het boterkarnen bijvoorbeeld. Bij het Afrikaboek is het zo dat ik de tweede keer al niet meer weet hoe het bier daar gebrouwen wordt. Ik zit dan met het probleem hoe ik het allemaal opsla en zo verwerk dat het klinkt alsof ik er zeker van ben. Ik kon het in De roos en het zwijn allemaal veel vager houden. Bij de moeilijkere projecten verlies ik mijn houvast zodra ik drie dagen niet werk. Ik moet dan helemaal opnieuw in de sfeer komen. Als ik zelf een plot moet verzinnen heb ik altijd heel veel twijfels over de geloofwaardigheid.'

Dubbel

Door heel De roos en het zwijn loopt een tegenstelling tussen de elfen en de engelen. Ze symboliseren de dubbelheid van de middeleeuwse mens, die staat op de grens tussen heidendom en christendom. Motieven als ascese, boete, schuld en straf zijn verbonden met de engelen. Met de elfen is dan weer de zinnelijkheid verbonden. 'In dit boek zit de dubbelheid overal. Je hebt de werkelijkheid en de reflectie erover, je hebt Rosalena en de spiegel, je hebt de vader en Thybeert, je hebt haar zus en haar andere zus, je hebt Tiras en Ottokar, haar minnaars, je hebt het ene paard en het andere paard. Alles gaat om dualiteit, lichaam en geest, sterfelijkheid-onsterfelijkheid, goed-kwaad, amoreel-moreel. Ik had verwacht dat veel mensen zich daarop zouden gooien. Dat is niet gebeurd. Ik geloof zelf niet in de dualiteit lichaam en geest, maar dat neemt niet weg dat het voor mij veel interessanter is om te schrijven over een personage dat daarin wel gelooft dan dat ik zou moeten schrijven over mezelf, met mijn twintigste-eeuwse geloof dat er niets voor en niets achter is.'

Tot zij naar Thybeerts huis vertrekt om op een onredelijke wijze boete te doen voor de schuld van haar vader, heeft Rosalena haar leven ervaren als een heroïsche strijd tussen engelen en elfen. Net voor ze weggaat, komt voor het eerst en onverwacht de figuur van God op de proppen ('Schoonheid is van niets een eigenschap dat niet God is', enzovoort). Op het einde beveelt Thybeert haar zelfs aan: 'Je moet geloven dat God bestaat; een uitgestoken hand moet je niet weigeren.' Is dit niet zeer katholiek? 'Die interpretatie verbaast me. Ik dacht dat ik van de lijsten van de katholieke scholen zou vliegen omdat ik het bedoeld heb als kritiek. Het is eigenlijk wat mijn grootmoeder zegt: 'Je moet in God geloven want het kan geen kwaad.' Wat mensen die in God geloven doen, is uit onmacht grijpen naar die uitgestoken hand. Ook die andere passage, die zich afspeelt net voor haar vertrek, wordt gerelativeerd door de laatste zin ervan. Omdat die passage zo kras tegen onze tijd in gaat, dacht ik dat je die alleen maar als persiflage op de godsdienst kon lezen. Welke gelovige zou de dag van vandaag blindweg beweren dat God geen vrouw zou kunnen zijn? '

De paradox van het hele boek is dat de seksuele rijpheid pas bereikt wordt door verwerping van de onbevangen, primitieve seksualiteit. Deze groei naar seksuele rijpheid loopt parallel met een groei naar beschaving. 'Rosalena beweegt geleidelijk aan weg van het paganisme naar het katholicisme. Eerst heeft zij alleen de elfen. Zij kent de stad niet. Gaandeweg treedt zij uit dit heidendom, onder meer door in de kerk binnen te gaan en door de komst van de engelen. Het ultieme moment is dat zij iemand ontmoet die haar overtuigt van het lezen van boeken en haar introduceert in die nieuwe wereld van het christendom. Ik heb er een evolutie in willen stoppen: weg van de donkere, heidense middeleeuwen (met de absolute verzoenbaarheid van het christendom met paganistische elementen) naar de late middeleeuwen, waar die twee facetten steeds onverzoenlijker worden. Rosalena's ontwikkeling gaat in de richting van civilisatie en duaal denken. Het is zeker geen verbetering. Maar het is wel een hoger niveau van denken. Ze buigt het dierlijke stadium - ik ageer dus ik leef - om tot: ik ben een moreel wezen dus ik moet daar naar handelen. Ik denk dat mijn boek in zekere zin de cultuurgeschiedenis beschrijft, en ook de geschiedenis van elke mens: we beginnen met een actie-reactie vanuit ons instinct, in eerste instantie eet je, drink je, slaap je, vrij je. Maar naarmate je volwassen wordt, ga je nadenken over je daden. Juist omdat je begint na te denken wordt het leven er niet simpeler op. Maar het is onvermijdelijk. Als ik zou mogen kiezen tussen de twee werelden, dan zou ik het complexe, traumatiserende, onzekere, weifelende bestaan verkiezen boven een terugkeer naar die 'primitieve' staat. In die zin is het lot van Rosalena misschien wel een verbetering: ze denkt na, ze leest, ze heeft cultuur bereikt.'

Fin de siècle

Met de terugkeer naar de sprookjes, mythen of mythologische verhalen staat Anne Provoost niet alleen in de jeugdliteratuur. Peter van Gestel bewerkte Mariken van Nieumeghen en Wim Hofman Sneeuwwitje. Misschien is men wat uitgekeken op de talrijke probleemboeken met verziekte huwelijken, halfwezen en weggelopen of incestueuze vaders. Provoost krijgt wel eens de opmerking dat de terugkeer naar oude verhalen een typisch fin de siècle-verschijnsel zou zijn. 'Ik denk dat we in de literatuur van dit fin de siècle ons te ver weg zijn gaan bewegen van het pure verhaal. Het moest allemaal voor enorm veel interpretatie vatbaar zijn, je moest alles kunnen verantwoorden en je mocht niet meer vanuit de buik schrijven. Misschien grijpen wij terug naar die oude verhalen omdat we het zo zat zijn.' Het fin de siècle zit bij haar vooral in het overbewustzijn van de schrijver. 'Voor mij is dat het tragische aan een carrière als schrijver, dat ik ineens door zoveel over die drie boeken die ik heb geschreven te praten, niet meer gewoon kan vertellen. Ik zit altijd met dat beestje op mijn rug dat meeleest. Jezus, houd op, denk ik dan, en luister gewoon naar die verhalende stem.'

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!