| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Favorieten

Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Zijn schrijvers uitleggerig?

De Standaard, donderdag 22 april 2004
Anne Provoost.

Zijn schrijvers uitleggerig? Voelen ze een behoefte om toe te lichten? Ik verdenk mezelf ervan. Op een ochtend in het park staan twee mannen te stretchen. Vanuit zijn stoeltje achterop mijn fiets giert mijn zoontje Basil het uit: ,,Die meneren proberen een boom om te duwen!''

Wat een blijheid bij de kleuter, die weet dat ze in hun opzet niet zullen slagen, getuige te zijn van zoveel onweerlegbare domheid. Wat een blijheid bij mij als ik hem kan uitleggen dat ze hun spieren rekken, dat ze pijn en vermoeidheid voorkomen, erg slim van die meneren.

Enkele dagen later rijdt een chauffeur ons op een weg die wegens werkzaamheden is versmald rakelings voorbij. In de hoop dat de lefgozer me in zijn achteruitkijkspiegel ziet, doe ik tok-tok tegen mijn voorhoofd.

,,Misschien ligt het aan zijn auto,'' zegt Basil. ,,Misschien heeft hij een raceauto die niet traag kán rijden.'' De grip van zijn armpjes om mijn middel verstijft, ik voel hem nadenken. Hij duikelt niet meer in overhaaste conclusies, zoveel heeft hij geleerd. Zijn hypotheses groeien terwijl hij ze formuleert. ,,Misschien weet die meneer niet dat je niet zo snel mag. Misschien is hij hier nog nooit geweest. Misschien komt hij uit een ander land, waar geen fietsers zijn. Misschien denkt hij dat fietsen brommers zijn!''

Er zit een kloppend gelijk in wat hij zegt, een soort aardse hartslag die me herinnert aan de eerste keer dat ik hem zag, als foetus van vijf maanden, op de monitor aan het voeteneinde van een witte tafel. De klop lijkt afkomstig van de herhaling, maar dat niet alleen, er is de spanning in zijn lijfje die hem doet opveren in de fietsstoel: hij duidt, pijnigt zijn verstand, laat verklaringen ontstaan door ze te formuleren. Hij is de schrijver en zijn tekst. Er is nog geen verhaal, maar wat er wel is, zijn de gissingen, het vermoeden en de vermetelheid van het denken. Het foetale idee dat groeit, vorm krijgt, een eigen leven gaat leiden, ritme krijgt dat klopt.

Het is niet zo dat de gedachte eerst komt, eerst komt het gebrabbel. Later leest men er een waarheid in, een boodschap of een wijze les, alsof verhalen bewijslast hebben. Maar geloof me, verhalen beginnen niet met wijsheid. Ze ontstaan uit een hortend opperen van waar de schrijver van overtuigd is en van waar hij ook nog van overtuigd zou kunnen zijn.

De schrijver is niet uitleggerig, wel praatziek als een kleuter. Hij spreekt voor zijn beurt, lang voor er inzicht is. Lang voor de analyse is gemaakt, is het vertelsel al de wereld in.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!