| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Favorieten

Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Geletterde vrouwen 2000

Riane Scheepers in De Standaard der Letteren, september 1999
Vertaling: Ludo Teeuwen

Op uitnodiging van jeugdschrijfster Anne Provoost kwam de Zuid-Afrikaanse Riana Scheepers naar Vlaanderen voor een Geletterde Mensen-tournee. Op het eerste gezicht was het een vreemde combinatie: Provoost maakt een nogal bedeesde, rustige indruk, terwijl Scheepers felheid uitstraalt - je zou kunnen denken dat haar laatste boek niet voor niets Feeks heet. Uit het dagboek dat Scheepers op vraag van De Standaard der Letteren bijhield tijdens de tournee (van 18 tot 31 maart), blijkt dat ze het uitstekend met elkaar kunnen vinden.
De Standaard, 13 maart 2000

Een omhelzing van 27° Celsius

De eerste brief die ik van Luc Coorevits van Behoud de Begeerte kreeg, was ook de allerlaatste die hij mij schreef. Ik wist niet dat hij al langer dan een maand naar mij op zoek was, en dat hij al verschillende brieven geschreven had. 'Ik schrijf nu mijn vijfde brief,' zo luidt het, 'en dit is een laatste poging om jou op te sporen.'
Hoe kon hij ook geweten hebben dat mijn e-mailadres veranderd was en dat ik ondertussen verhuisd was?
Behoud de Begeerte wil mij op het eind van de winter uitnodigen voor een tournee van Geletterde Mensen, schrijft Luc in zijn laatste wanhopige brief. Omdat de zoektocht naar mij ergens in het donkere Afrika zoveel tijd heeft gekost, moet ik nog diezelfde week laten weten of ik kom of niet. Ik zal op tournee gaan met Anne Provoost, een van Vlaanderens meest gewaardeerde jeugdschrijvers.
Ik heb lang zitten kijken naar de foto van Anne op het achterplat van een van haar boeken. Ik dacht: wat een serene, zachte vrouw, zij denkt zeker diep na over het leven en de kunst. Natuurlijk zal ik gaan.
Wat Luc er mij niet bij vertelde, was dat ik op tournee zou gaan met een vrouw die weliswaar zacht en sereen is, maar die tezelfdertijd ook sprankelend, onstuimig en levenslustig is.
Toen wij elkaar voor het eerst ontmoetten, klikte het meteen.

Zondag 12 maart

Vanuit Zuid-Afrika reis ik via Londen naar Amsterdam. Ik weet dat ik overdrijf maar ik prijs mezelf gelukkig dat ik de vlucht overleef. Tijdens de landing in Londen krijgt het vliegtuig een klapband. Niemand is gekwetst, maar het vliegtuig en de landingsbaan zijn beschadigd en de passagiers stappen met knikkende knieën uit als ze beseffen wat er precies gebeurd is.
De schok is gauw vergeten. Ik leef en ik ben gezond en ik ben mooi bruin getaand na een lange zomer zuiderse zon op mijn lijf.
Maar toch kan ik het niet laten om mij in te beelden hoe het ontroerende In Memoriam van Mark Schaevers over mij in De Standaard zal klinken: 'Geletterde Vrouw komt om in vliegtuigramp - Provoost levert schitterende solovertoning.'

Dinsdag

In Amsterdam kom ik temidden van een hectische boekenbedrijvigheid terecht. Van mijn uitgever Lidewijde Paris van Querido krijg ik het eerste exemplaar van de Nederlandse vertaling van Feeks. Ik reis naar Antwerpen voor een radio-interview en keer nog diezelfde namiddag terug naar Amsterdam. 's Avonds ga ik met Lidewijde naar het Boekenbal dat het begin van de Nederlandse Boekenweek inluidt.
Vanavond ga ik Harry Mulisch vragen om met mij te dansen, denk ik.
Maar als de (minstens) drie miljoen genodigden uiteindelijk hun plaats in het Carré hebben ingenomen, begin ik mij af te vragen of er nog wel een dansje van af zal kunnen. De zaal zit vol met beroemde schrijvers en mooie mensen, en het een gaat niet noodzakelijk samen met het ander!
Het thema van het bal is de antieke oudheid en overal tussen de gasten bewegen zich begeerlijke mannen met gedrapeerde tunieken over hun gespierde bovenlijven en maagdelijke godinnen die zoals aronskelken tussen de gasten rondzweven en glaasjes champagne aanbieden.
Van op een afstand zie ik wel Harry M. en Connie P. en Adriaan v.D. en Jean-Pierre R., maar of er van een geriatrisch dansje nog iets komt, is een andere zaak.
Zelfs na het energieke cabaret van Freek de Jonge met vuur en zwavel en een feniks die tot tegen het dak vliegt, blijven er wis en waarachtig nog altijd mensen het gebouw binnenstromen. Het gebouw wordt te klein, het begint te hijgen. De temperatuur stijgt tot tegen de dertig. Het Carré wordt een subtropisch eiland, de mensenmassa een oerwoud van slingerende lianen om mij heen. Ik denk aan de passages van claustrofobische angst zoals ik die in Heidendogters beschreven heb.

Tegen elf uur besluit ik om naar huis te gaan.
'Trut,' gekscheert Lidewijde, 'dit is de meest opwindende gebeurtenis uit het Nederlandse boekenjaar, en jij wil naar HUIS!'
'Ja,'' zeg ik, 'deze trut gaat naar huis, deze trut heeft de moed opgegeven om ooit nog met Mulisch te dansen.'

Woensdag

Antwerpen. Ik open de deur van mijn hotelkamer en stap naar binnen met mijn twee koffers.
Ik zet een stap terug.
De hitte van de Sahara slaat in mijn gezicht.
Binnen is de lucht kurkdroog en zo heet als een Afrikaanse woestijn. Mijn koffers ploffen op de grond, ik zoek de schakelaar van de airconditioning. De temperatuur staat ingesteld op 27°. Ik zet het ding af, loop naar de vensters en gooi de ramen wijd open. De koele Antwerpse lucht stroomt naar binnen maar het duurt een hele tijd voor de temperatuur binnen leefbaar is. Ik hang mijn kleren in de kast, ik pak mijn boeken uit. Hier zal ik de volgende twee weken wonen.
Onze eerste afspraak is met Mark van den Hoof. Samen met Anne lees ik verhalen voor zijn radioprogramma Zeggen en Schrijven . Mark heeft een mooie baard en melancholische ogen.
's Nachts drinkt hij rode wijn en leest hij poëzie van Middeleeuwse dichters, denk ik, terwijl ik mijn stem en mijn taal schenk aan zijn draaiende bandopnemer.
Twee weken later zal ik erachter komen dat Mark zich niet alleen met mystieke dichters bezighoudt, maar dat hij ook hilarische grappen kan vertellen. Tijdens een etentje bij Jacqueline Caenberghs tapt hij zo'n on-melancholische moppen dat we over de vloer kruipen van het lachen.

Ik krijg een prachtig geschenk van een oude vriend. Voor de eerste keer in mijn leven krijg ik iets dat ik als kind nooit gehad heb. Een pop. Het is een lieflijke Vlaamse heks met lange, wilde haren, een kromme neus met een wrat, een zwarte rok met een onderrok en een kniebroek afgewerkt met de allerfijnste kant. Zij lacht mij breed toe met haar tandeloze bek, een bundel sprokkelhout onder haar armen.
Ik en de feeks, we worden dadelijk zielsgenoten. Als ik slaap, staat zij rechtop langs mijn bed en lacht tandeloos de nacht in.

Donderdag

We vernemen dat de moeder van Luc Coorevits overleden is. De droefenis van verlies, ook al wordt het verwacht, kent geen grenzen.

Vrijdag

Laat in de namiddag rijden Anne en ik met Ilse en Katleen van Behoud de Begeerte naar Gent voor een laatste repetitie voor de première. We treden op in de Balzaal van de prachtige Vooruit.
Het valt me op dat de selectie die ik voorlees zowat het ruigste bevat van al de verhalen die ik ooit geschreven heb.
'Je klinkt alsof je de queen of pots bent,' grapt Anne.
Als we na middernacht terugrijden naar Antwerpen, geeft de auto van Ilse een paar diepe zuchten. Vanonder de motorkap borrelt pikzwarte rook omhoog. Wij rijden van de weg af en stappen uit. Koud en bedremmeld staan we aan de kant. Luc Spiegel, de technische kunstenaar die met zijn auto achterop kwam, stopt en geeft ons een lift. We kruipen in de bagageruimte, met de knieën opgetrokken achter onze oren.
Ilse duwt haar auto wat meer aan de kant en sluit de deuren. Die zien we nooit meer, denk ik, binnen de vijf minuten is hij gesloopt of gestolen.
Ik ben vergeten dat dit Zuid-Afrika niet is. De volgende dag staat de auto nog steeds langs de weg. Kapot, maar hij staat er nog.
Laat in de nacht doe ik de deur van mijn hotelkamer open.
Ik zet een stap terug.
De mevrouw die de kamer opruimt, heeft de temperatuur weer op 27° gezet.

Zaterdag

Onze openingsavond in Gent. Anne en ik zijn beiden zenuwachtig, we weten dat de critici op de loer liggen, we maken fouten. Ik lees voor in het Afrikaans, maar het publiek kan de Nederlandse tekst volgen op een scherm achter ons. Ik heb een onrechtvaardige voorsprong. Niemand merkt het als ik iets fout lees; ik ben eigenlijk niet meer dan een exotisch, zangerig Afrikaans klankbord.
Ik heb er geen flauw idee van hoe de voorstelling overkomt, maar het publiek is sympathiek en enthousiast.
Heeft het Afrikaans wel een plaats naast het Nederlands?
Tot mijn grote vreugde ontmoet ik na de voorstelling Deborah Deschaek, een prachtige, jonge vrouw die ik bijna drie jaar geleden tijdens de Antwerpse boekenbeurs als schoolkind leerde kennen. Tijdens haar laatste jaar maakte zij een eindwerk over kortverhalen, en sindsdien zijn we met elkaar blijven corresponderen.
Van Deborah kreeg ik twee jaren geleden via de post een engel. Hij moest voor Kerstmis bij mij toekomen maar hij heeft wekenlang (zoals de brieven van Luc Coorevits?) door het Afrikaanse luchtruim gezweefd voor hij uiteindelijk bij mij terechtkwam.
De engel van Deborah en mijn Vlaamse feeks waken over mij, dat weet ik.

Zondag

Voor ons optreden in Knokke dagen 28 mensen op. Ik heb sympathie en bewondering voor hen. Ik zou zelf beslist niet op een zondagnamiddag om drie uur naar een voordracht gaan luisteren, zelfs al waren het Palmen en Van Dis. Als Sappho daar zou staan, in het lieflijke Knokke, op zijdezachte sandalen en met een wit kleed om haar weerloze schouders, dan, ja, dan zou ik gegaan zijn. Misschien.
Tijdens de eerste helft van de voorstelling staan twee mensen recht en lopen luidruchtig de zaal uit.
Na de pauze blijven er van de 28 nog 22 mensen over.
Het is koud. Na een week is de Zuid-Afrikaanse zomer uit mijn lichaam verdwenen.
Terug in het hotel draai ik de verwarming van 27° terug naar 0 en gooi de ramen open.
Ik mag niet vergeten dat ik morgenvroeg bij de receptie moet vragen om de verwarming op mijn kamer af te laten staan.

Maandag

Terwijl ik met de trein op weg ben naar Gistel, waar ik de leerlingen van het Sint-Godelieve-college ga toespreken, lees ik in de kranten de recensies van de première.
Ik schrik me een hoedje. Een koude rilling trekt door me heen. Er is iets fout met ons optreden.
Als ik later op de middag terug thuiskom, stap ik opnieuw de Sahara-woestijn in. De temperatuur is nog met een graad gestegen. De airconditioning staat op 28. Ik heb schrik om met Anne te bellen.
Later, als ik de ramen heb opengezet en het wat koeler is in de kamer, doe ik het toch. Zij klinkt kalm en beredeneerd. 'We gaan het programma verbeteren,' zegt ze.
Een van de veranderingen die we aanbrengen is het verplaatsen van het verhaal over de vrouwelijke besnijdenis. Het komt nu voor de pauze. We weten van enkele toehoorders dat ze na dit verhaal even op adem moeten komen. Ze hebben tenminste een pauze en een Leffe nodig om het beeld van een besneden meisje en van een fokken dom koei die vastzit in de prikkeldraad te verwerken.
We maken onze voordrachten korter.
We maken het programma beter.

Dinsdag

We treden op in Tongeren. Terwijl het decor wordt opgesteld en Anne een paar laatste veranderingen aan haar tekst aanbrengt, loop ik even snel naar buiten de stad in. Het is de eerste keer dat ik hier op bezoek kom. Schitterend, schitterend!
Hoeveel kost een huis hier, in een van deze kronkelstraatjes waar de huizen al eeuwenlang tegen elkaar geleund staan? Zal ik hier komen wonen en de Grote Roman schrijven?
Vanwaar die diepe behoefte om op elke plaats die ik mooi vind een huis te kopen?
Na de voorstelling die avond ontmoet ik een hond die samen met zijn eigenaar in het restaurant van de Velinx zit. Het is een dierbaar beest met grijze wenkbrauwen en droevige ogen die me met hartzeer aankijken.
'Wat is de naam van die hond?' vraag ik aan zijn baas.
Verdriet is zijn naam.

Woensdag

Kort na negen in de ochtend verlaat ik het hotel. Voor we vanavond optreden in Eeklo, breng ik een bezoek aan de school van Frans Matteus in Bertem.
Een cameraploeg staat klaar om alles op te nemen.
Na een tijdje vraagt de mevrouw van de televisie een paar kinderen wat ze nu vinden van deze les met het bezoek van een Zuid-Afrikaanse auteur tijdens de jeugdboekenweek. De kinderen vinden het leuk, ze kunnen die rare mevrouw begrijpen, ze zijn blij dat ze geen kilometers hoeven te lopen om naar school te gaan zoals sommige kinderen in Zuid-Afrika, ja zeg.
Aan de kant zit een kereltje met een nukkige trek om zijn mond.
'En jij', vraagt de mevrouw, 'vind jij dit leuk?'
'Neeeeei.....,' zegt het kereltje, 'ik vind er niks aan.'
Ik heb zin om me dood te lachen, omwille van zijn open eerlijkheid, zijn koppige trek op zijn gezicht, zijn spontaneïteit. Een andere knaap die een tijdje geleden op vakantie was in Zuid-Afrika wordt ook voor de microfoon gehaald.
'Kan jij iets in het Afrikaans zeggen?' vraagt de mevrouw.
'Ja,' antwoordt hij.
'Nou, wat dan?'
De microfoon hangt als een enorme suikerspin aan zijn lippen.
'Ek nie kak nie praat nie,' zegt hij.
Dat is het eerste 'Afrikaans' dat ik sinds twee weken hoor. De driedubbele negatie van mijn taal is het grappigste wat mij ooit ter ore gekomen is. Ik amuseer me prima tussen de kinderen van Bertem.
De levenslust van Anne is een tegengif voor mijn verlangen en de winter die maar blijft duren. De serene dame van de Vlaamse literatuur ontpopt zich na de spanning van het optreden (en na een glaasje Amaretto) tot een hekelende kwelgeest die ons allemaal rond haar vinger draait.
Na het optreden stelt Luc ons voor aan een mooie, stille man aan de toog.
'En ken jij de welbeminde heer hier?' vraagt hij aan Anne.
'Nee,' zegt ze, 'maar als jij mij aan hem voorstelt ben ik direct bereid om hem te beminnen.' ,Paul Demets,' zegt Luc.

Donderdag

Onze voorstelling in Leuven heeft een fantastisch, meelevend publiek. Anne en ik beginnen te genieten van de tournee, we denken er aan om professioneel te worden, om door de wereld te reizen als twee lezende podiumbeesten.
Na de voorstelling vertel ik aan Jan Simoen van de enorme flater die ik ooit maakte door mij in een sjiek Vlaams restaurant verkeerd uit te drukken. In plaats van het beroemde Vlaamse gerecht 'waterzooi' te bestellen, vroeg ik in al mijn onnozele onschuld aan de kelner of ik 'rotzooi' kon krijgen.
Nee, dat viel niet in goede aarde. Het was de eerste keer dat ik in Vlaanderen met ijskoude ogen werd aangekeken.
Pardon, pardon, ik kom uit Afrika!
Jan is een befaamde kok. Hij nodigt mij uit om op een 'goeie' dag (wanneer?) bij hem ,'rotzooi' te komen eten.
In het hotel steek ik de sleutel in het slot van mijn kamer, open de deur en blijf in de gang staan om de hittegolf te laten uitwaaien. Als een spook met een woedende wolk op zijn adem stoomt de hitte door de gang.
Morgen, alleszins morgen zal ik het toch eens over die temperatuur moeten hebben. Zelfs in ons eigen land verdragen we zo'n temperaturen niet.

Vrijdag

Na een verblijf van meer dan een week kom ik in de gang eindelijk de mevrouw tegen die de kamers opruimt.
'Dag mevrouw,' groet ik zo vriendelijk mogelijk.
'Goeie morgen,' glimlacht ze.
Zo beleefd als ik maar kan, formuleer ik mijn verzoek. Zou ze a.u.b. zo vriendelijk willen zijn om de verwarming te laten afstaan?
Zij is totaal uit het lood geslagen. Een stortvloed van woorden stroomt over mij heen, in prachtig 'Antwaarps'. Zij had gehoord dat ik uit Afrika kwam, en als gebaar van vriendelijkheid en gastvrijheid wou zij ervoor zorgen dat de temperatuur in mijn kamer dezelfde was als thuis... Vind ik dit Belgische klimaat niet afschuwelijk... het zou lente moeten zijn maar het weer is miezerig en koud, de winter blijft duren...
Ik zal misschien toch maar liever die verstikkende hitte verduren. Noem mij Verdriet, ik voel me als een hond.
Onze voordracht is in Aalst. Goddank dat ik niet op voorhand wist dat Leen Vermeiren in de zaal zou zitten.
Ik omhels lieve Leen achteraf. 'Als ik geweten had dat jij in het publiek zou zitten, had ik zeker gevraagd dat jij mijn teksten zou lezen!' vertel ik haar.
'Geeft niet,' zegt Leen, 'jij leest goed. Maar zit stil! Je bent een woelwater!'
Als ik laat in de nacht thuiskom, is mijn kamer doodstil en ijskoud. Langs mijn bed staat mijn Vlaamse feeks, bibberend en blauw van de kou.
Plots verlang ik oneindig veel naar mijn land.

Dinsdag

In Genk blijft een vrouw lang na de voorstelling wachten om met mij te praten. Zij heeft prachtige, zwarte ogen.
'Dank je,' zegt ze als ze eindelijk met mij alleen is. Haar ogen schitteren.
Ik kijk haar vragend aan.
'Dank je voor het verhaal Maar daar is. Dat moest ik horen.'
En toen was ze weg.
Nog lang daarna denk ik aan de vrouw met die zwarte ogen. Ik vraag mij af waarom ze mij wou bedanken, maar ik weet waarom.

Woensdag

Het gebeurt totaal onverwacht, na acht voorstellingen. Dat waarvan ik vond dat het niet mocht gebeuren.
In Hasselt, als ik voor de negende keer het verhaal Maar daar is lees, word ik aangegrepen door de inhoud van de tekst. Ik ben ontzettend dankbaar dat ik voor dit gedeelte van de voorstelling een beetje in het donker zit, een beetje weggedraaid van het publiek. Ik kan het nu niet, de tranen lopen over mijn wangen terwijl ik lees. Ik lees geen tekst, ik vertel het verhaal van mijn land, een verhaal van droefenis en troost.
Ik voel dat Anne met bekommerde ogen naar mij kijkt, dat haar hart naar mij uitgaat, maar ik kan mijn ogen niet naar haar opslaan om haar aan te kijken. Als ik klaar ben met lezen, sta ik kletsnat in het zweet. De nagels van mijn linkerhand staan diep gegroefd in mijn handpalm.
Ik ben geen podiumbeest, besef ik, terwijl ik daar in het donker zit. Ik ben een schrijver, geen lezer. Wat moeten de mensen van mij denken?

Vrijdag

Ik heb een interview met een journaliste die geen woord verstaat van mijn Afrikaans. Dit is de eerste persoon in Vlaanderen die mij niet begrijpt als ik mijn mond opendoe. Het is ook snel duidelijk dat zij hoegenaamd niet voorbereid is op het interview. Haar eerste vraag is: 'Waar kom jij vandaan?'
Ik ben opeens doodmoe.
Ik kom van nergens, wil ik zeggen, ik ben een verworpene, ik maak deel uit van een verachtelijk, blank ras, de verwerpelijke albino van Afrika.
Nooit voordien heb ik dit ooit gedaan, maar ik sta op en vraag of we het interview als afgehandeld kunnen beschouwen.
Ik ga terug naar mijn hotelkamer. Ik zet de verwarming op. Op 27° Celsius.
Ons allerlaatste optreden is in Mechelen, in de wonderlijke oude bioscoopzaal waar decennia geleden pornofilms werden gedraaid: Theater Theater! In de duisternis van de coulissen struikelen we over touwen en gordijnen, ons decor wordt aangepast omwille van de kleinere ruimte, maar de toehoorders hangen bij elk woord dat we lezen aan onze lippen. Ze zuchten waar de tekst zucht, ze glimlachen als de tekst een sprongetje maakt, ze lachen met het prachtige, vruchtbare landschap van mijn taal.
Volgens de inwoners van Mechelen zijn Anne Provoost en Riana Scheepers de beste, levende voordrachtskunstenaars in Vlaanderen. Dank je, Mechelen, natuurlijk is dat zo!

Zaterdag 1 april

Dit is het laatste beeld dat in mijn geheugen gegrift staat: een trein die statig uit het prachtige, rommelige station van Antwerpen Centraal wegrijdt.
Ilse en Luc en Anne komen mij uitgeleide doen. Martha en Basil, de kinderen van Anne, zijn er ook.
Als het treinfluitje blaast, haalt Anne opeens vijf witte zakdoeken uit haar tas. Ilse en Anne en Luc en Basil en de kleine Martha wuiven mij uit. Het laatste wat ik zie zijn hun glimlachende gezichten. En een vijfjarig dochtertje met schitterend bruine ogen die een eindje met de trein meeloopt, een spierwitte zakdoek wapperend in haar handje.
In het treincompartiment is het opeens een gezellige 27° warm.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!