| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
   -Biografie
   -Bibliografie
   -Prijzen
   -Interviews
   -Standpunt
   -Favorieten

Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Favoriete fragment

Het fragment

I remember waking too early, moving in the hallways of the house of the sleepers, I remember padding into my parents' room.
I am in my parents' bed. Their bodies are big (they are both asleep) and their bodies give off heat, and the sheets and my parents' chests and arms are warm and vast; they seem red to me with heat; and the sheets are blue with reflections of the blue walls and pink with the reflection of the heat in my parents' huge bodies - it seems to me.
The scale is dismaying - comforting - obscene. My mother's knee pushes me frighteningly (she knows I am uneasy about her knees and will herd me with her knee when she is awake: she doesn't grab me with her hand and pull me, the way other mothers do their children; if she tries, I may yell at her). When I am quite little, I stand holding the headboard and do not wake the sleepers.
My breath is tiny compared to Momma's, whose breath is small compared to Daddy's, which is immense: his breath makes the room shiver, with a peculiar, troubling rhythm.
I climb over Daddy to the edge of the bed, I climb down from the bed, I move out onto the bedroom carpet; my breathing is different now as I look back at the bed, at the sleeping figures on it: they are absent, entombed - whereas I - I am a standing child now.

Harold Brodkey, Stories in almost classical mode, Vintage Books, 1989.
Oorspronkelijk gepubliceerd in
The New Yorker, september 1973.
In vertaling: Harold Brodkey,
Verhalen op vrijwel klassiek wijze, Amber, Amsterdam.

Anne Provoost over haar keuze

Mensen die het kunnen weten zeggen: geluk kun je niet nastreven. Je kunt er niet naar op zoek omdat het niet op zichzelf voorkomt. Het is een bijproduct van iets anders, de nevenwerking van een reeks van dingen die mensen met wisselende frequentie en intensiteit overkomen, zoals daar zijn: een blijk van erkenning, een gevoel van welslagen, een moment van inzicht.
Een kind wordt te vroeg wakker. Het doorloopt in stilte het huis, en gaat bij zijn ouders in bed liggen. Op een gegeven moment maakt het zich van hen los.

Eerst krijgen we de kleuren, het rood van de lichamen, het blauw van de lakens en de muren, en het roze van de weerkaatsing van de warmte die uit de ledematen opstijgt. We krijgen de afmetingen, de verhoudingen tussen het reusachtige van de slapende ouderlijven en het petieterige van het kind. Dan de verwijzing naar het gevaar van de knieŽn. Het kind vindt ze eng, de knieŽn van zijn moeder, want ze stuurt er hem mee, ze drijft hem ermee op, duwt hem in richtingen die hij niet gaan wil. Het kind zal schreeuwen als ze dat doet, dat weet ze. Misschien zal het slaan.

En uiteindelijk komt het afscheid, het achterom kijken, het begrijpen dat iets voorbij is.
Het kind krijgt een inzicht. Dat inzicht heeft met van alles te maken: met de fasering van het leven, met de eindigheid ervan, maar ook met zijn macht omdat het weet dat het zijn ouders zal overleven. Of dat inzicht het kind geluk verschaft zal elke lezer voor zichzelf uitmaken. Maar vast staat dat ik bij het lezen van deze tekst een soort van geluk ondervind: wat mooi, denk ik, wat waar, wat echt.

Het zinnige

Dit fragment grijpt in op de bezenuwing van mijn ruggengraat omdat het het moment weergeeft waarop een kind afstand neemt. Op een ochtend gaat het rechtop staan. Het overziet de verhouding tussen het horizontale en het verticale; liggend zijn de lakens, de lichamen, de knie, het graf. Staand het hoofdschot van het bed en het kind zelf. Ineens ziet het zijn ouders als anderen, als anders. Dat lijkt me een heel belangrijk moment in een kinderleven, die flits van besef dat het prille begin hier al eindigt. Het inzicht van het kind verbonden aan het mijne, daarvoor ga ik staan.

Het verdriet

Of is wat me aanspreekt het nostalgische, het verdriet in het verhaal? Zo ja, wat is er dan aantrekkelijk aan verdriet; ik zocht toch geluk? Inzicht verwerven kan ik beter met een triest boek dan met een bezoek aan een pretpark. Ik wil geen plezier, het maakt me neerslachtig. Was het niet de betreurde Herman de Coninck die zei: 'Optimisme deprimeert mij, alle soorten blijheid, omdat ze zo dom zijn. Pessimisme deprimeert nooit, ofwel is het gerechtvaardigd, en meestal is het dat, ofwel is het tŤ, en dan is er de opluchting nadien van nou heb ik het wel gehad, voortaan kan alles alleen nog relatief meevallen.'
Er zijn lezers voor wie bij een boek kunnen grienen een grotere kwaliteit is dan erom kunnen lachen, zelfs kinderen. Ik was zo'n kind. Gaf mij maar gewicht. Lol bezorgde me een gevoel van leegte. Lezen over trieste dingen verschafte me inzicht. Het tilde me op.

En wat stemt er dan neerslachtig in deze tekst? Ik vermoed het feit dat ik niet zo zeker weet wat Brodkey bedoelt. Zegt hij: het kind wordt groot omdat de ouders slapen? Of zegt hij eerder: het kind wordt groot in weerwil van het feit dat de ouders slapen?
We zijn geneigd te geloven dat een mens slaapt om straks weer aan het werk te kunnen. Misschien is het wel omgekeerd. Misschien is slapen het doel, het oogmerk van een langgerekt bestaan, ten bewijze de dieren die langer leven omdat ze zich rustig houden. Misschien is slapen wel 'plaats ruimen', eventjes opzij gaan, iemand anders aan de beurt laten.
'They are entombed' ('Ze zijn in een praalgraf ter ruste gelegd'), zegt Brodkey, en daar zit de pijn. Niet die van het kind, want het kind triomfeert, maar van mij als lezer. Als het doel van ons werk de slaap is, is dan niet zeer zeker het doel van ons leven de dood? Wat zijn die slapende ouders onder hun lakens? Moeten die sterven nadat ze hun eieren hebben gelegd? Motten die sterven OMDAT ze eieren hebben gelegd?

En zie naar het kind. Het zegeviert. 'I am a standing child now.' Iedereen herinnert het zich nog van vroeger: de vervreemding die je voelde als jij wakker was en je ouders sliepen. Ze leken zo in zichzelf gekeerd, plotseling, zo afwezig. Je betrad een kasteel van schone slapers. Je keek maar je werd niet bekeken. Wisten ze dan niet hoe vilein je was als ze niet opletten? Wat kon je allemaal niet uitrichten? Brodkey wijst op de macht van het kind, het kind als konkelaar, het kind als verzoeker. Het neemt afscheid van zijn ouders lang voor de ouders daartoe bereid zijn.

Mijn dochter is zes als ik een soortgelijk moment met haar meemaak. We lopen op het trottoir van de Turnhoutsebaan, we zijn zopas in de dierenwinkel eten voor de vissen gaan halen. Ze heeft haar hand in de mijne. Ze zegt: 'Mama, ik wil nu al iets zeggen voor als ik doodga. Verbrand me maar niet. Stop me liever in een kist. Een schatkist.' Ze is doodernstig, geen zweem van spijt op haar gezichtje. Haar woorden hebben op mij hetzelfde effect als de tekst van Brodkey. Ik blijf bewegingloos bij het zinnige van wat ze zegt, het woordspel, maar vooral het verdriet.

'O nee,' bedenkt ze even later. 'Daar kun jij niet voor zorgen, want jij bent ouder dus jij gaat eerst dood.'

'Je moet kinderen hoop geven,' zeggen mensen als ik hen vertel dat ik een boek wil schrijven dat slecht afloopt.
'Misschien in het leven,' antwoord ik dan, 'maar niet noodzakelijk in de literatuur.'
Wat had ik aan Brodkey gehad als hij zijn tekst had getemperd. Dan had hij geen inzicht verschaft, maar geruststelling. We zijn geneigd kinderen te beschermen. We vergeten dat ze blootstellen aan gevaar ook een vorm van beschermen is. Dat heeft vooral de eend goed begrepen. Ze laat haar kuikens vroeg genoeg te water. Brodkey doet me voortdurend aan stumperige kuikens denken met zijn vergelijkingen die getuigen van een boosaardige grappigheid. Literatuur is ongevaarlijk vergeleken met het diepe water voor eendjes die nooit eerder zwommen. In een roman ondergaan we de pijn bij wijze van oefening. Het is niet echt, het is maar alsof. Dus moeten we ophouden literatuur te verzachten om het voor 'echt' te laten doorgaan, en het fictionele benadrukken, dat ons toestaat hardere waarheden te verkopen, zelfs aan kinderen.

Brodkey drijft me op met zijn knieŽn. Net als het kind vind ik ze eng, misschien ga ik wel schreeuwen. Maar het is wat ik zoek als ik lees. Het is helemaal wat ik wil hebben als ik me in een tekst verlies. Het houdt we wakker, voorlopig sta ik nog. En dat praalgraf, dat is bij wijze van spreken, dat is maar literatuur, helemaal alsof, voorlopig.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!