| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

De hand die de teugels vasthoudt

(pdf)


Uit Gelezen en goedgekeurd, Manteau, 2005

Ik mag het huis niet meer in, ook al bloeden mijn benen. Ik weet het al voor ik de vlonder heb bereikt. Het stoppelveld heb ik doorkruist. Mijn sokken heb ik zo hoog opgetrokken als ik kan, maar ze zijn van dun katoen, en algauw zitten mijn schenen onder de schrammen. Ik stop niet om ernaar te kijken. Mijn aan dacht is bij het huis, bij de gestaltes die roerloos op de veranda staan.

De sprinkhanen zweven voor me uit als ik het karrenspoor verlaat en de doorsteek naar de vlonder maak. Het gras in de akkerrand is bijna hoger dan ikzelf. Haast onzichtbaar ertussen staan de houten stengels van bramen. Mijn voeten blijven in de takken haken en de doornen halen mijn benen open. Ik sla naar de stekels alsof het insecten zijn, zonder mijn looppas in te houden. Iets zegt me dat schrammen op dit moment bijzaak zijn, dat het er nu op aankomt het huis in te komen.

Maar ik kan niet naar binnen, ik zie het aan de mannen met petten met omgeslagen oorkleppen en rubberlaarzen met veters. Ze staan op de veranda en zijn met z’n vieren. Ze leunen tegen de muur, één been opgetrokken, de armen gekruist. Ze dragen tassen aan hun riemen. Ze praten niet. Als runderen bij onweer kijken ze eenzelfde kant op: naar de graansilo’s ver weg, in de bocht waar het verharde pad zichtbaar wordt.

Niet dat ik hun aanwezigheid niet gewend ben. De man- nen staan wel meer op de veranda, het graan is nog maar net gepikdorst of ze komen al om hun paarden te laten zien, hun patronen en hun kogels te bespreken, de momenten te noemen die hun geschikt lijken om de drift te beginnen. Maar dat ze er op dit uur nog zijn wekt verbazing. Tegen deze tijd hebben ze meestal grote haast om de buit in hun kelders op te hangen, de vogels van eerder waar de stijfheid uit verdwenen is te plukken, de vuren aan te maken en het vet in de pan te doen. Nu hebben ze hun paarden niet eens ontzadeld, alleen de neusriemen losgemaakt; de dieren staan ongemakkelijk te briesen op de aardeweg.

Zo dadelijk is het etenstijd. Het licht is fel maar het valt scheef en doet het stof dat over het land hangt glinsteren. Ik ben doodop van zoveel uren licht en lucht. Het is tijd voor mij om op de grond te liggen, op mijn rug op het vloerkleed in de salon waar de gordijnen zo vroeg dicht- gaan dat alles koel aanvoelt, zelfs de pelsjes voor de bank. Luisteren naar hoe mijn moeder op haar espadrilles tussen het aanrecht en de bijkeuken beweegt, mijn vader zacht pratend bij haar, op sokken. Wachten tot de geuren die ik ken de salon binnendringen en iemand zegt: ‘Was nu maar je handen.’ Als dessert appels eten zo zuur dat het lijkt alsof ze jou bijten in plaats van andersom.

Ik ben al vele malen langs deze mannen gelopen. Ik ben eraan gewend dat ze nauwelijks iets zeggen, ze zijn met hun paarden en met hun gerief bezig, mij merken ze doorgaans niet op. En ik hen niet, ze horen bij de tuin. Dit keer ben ik nog maar pas op het trappetje verschenen of ze slaan hun hak op de plankieren. ‘Daar is ze!’ zeggen ze tegen elkaar. En dan harder, met hun gezicht naar het huis: ‘Ze is er! Het kleintje is terug!’ En ze gaan tussen mij en de verandadeur staan.

Eerst denk ik nog dat ik alleen maar op mijn moeder hoef te wachten. Dat ik dan snel binnen zal zijn bij de frisdrank en de citroenen. Dat haar arm hoog aan de deur zal verschijnen, dat ze hem zal strekken tot ik eronderdoor naar binnen ben gegaan, dat ze zal vragen waar ik heb uitgehangen en het bloed van mijn benen zal wassen.

Ze komt inderdaad, het duurt niet lang, maar ze is breder dan gewoonlijk: ze vult de opening tussen de hordeur en de deur helemaal op. Ze kijkt naar me, dan naar de graansilo’s ver weg, dan weer naar mij. Haar blik is vluchtig, hij daalt niet naar mijn benen af. Haar ene hand omklemt de boord van haar jurk, de andere zit in een vuist ter hoogte van haar maag. Ze draagt het grijze lapje voor haar oog, waardoor ik weet dat ze bezoek verwacht. ‘Nu niet binnenkomen,’ zegt ze stemloos. Aan de draad opzij van het huis klappert de was. Ik zou het begrijpen als ze had gezegd: vader is er nog niet, we wachten op hem. Dan zou ik naar het erf teruggaan en mijn spel tussen de oude vrachtwagens voortzetten. Maar vader is er, zijn geweer staat tegen de muur.

Bij de schutting staat zijn merrie naast de vier andere. Op het grind liggen zijn patrijzen en zijn korhoenders, hun kroppen opengemaakt, de klaver zorgvuldig uit hun kelen verwijderd, hun darmen in het struikgewas achtergelaten. Ze ruiken ongetwijfeld, maar mij bereikt vooral de geur van tijm en rozemarijn. Mijn moeder heeft vroeg in het voorjaar met snoeihout een hekje gemaakt. Haar vlechtwerk baat niet, de kerels staan gedachteloos met hun rug naar het groen in de potten. De takjes zwiepen, ze geven geur af als damp.

Ik wacht op meer uitleg. Ze kan me hier niet laten staan. Ze weet hoe moe ik word van al dat zonlicht. Als een konijn heb ik nu behoefte aan een hol, een diepe plek die koel is en donker. Maar voor ze iets kan zeggen verandert haar blik. Ik draai me om om te zien waar ze naar kijkt. In de bocht bij de silo’s verschijnt een auto. De mannen knijpen hun oogleden half dicht en maken een schurend geluid tussen hun tanden. Ze verschuiven de klep van hun pet en omdat ook dat niet helpt houden ze hun hand voor de zon. Hun gezicht is bestoft, de groeven rond hun ogen donker. Mijn moeder trekt zo hard aan haar kraag dat het hemdje onder haar jurk zichtbaar wordt. ‘Eindelijk,’ hoor ik haar zeggen. Op de veranda wordt dat woord een paar keer herhaald: eindelijk. Ineens begint iedereen te bewegen. De mannen lopen het trapje af. Twee van hen gaan op de weg staan alsof ze die willen versperren. Ik wil meelopen maar ik krijg een opdracht die ik niet begrijp. ‘Jij bent nodig voor het zeewater, Chloe!’ Ik kijk om me heen, naar de manspersonen links en rechts van me. Een van hen heeft gesproken, ik weet niet wie. Het verzoek wordt niet herhaald. Hoorde ik ‘zeewater’ of iets helemaal anders? Ik reken erop dat mijn moeder me zal helpen, maar ik hoor alleen de klap van de hordeur die dichtvalt. Achter de hor is het deurgat zwart.

Ik weet dat er iets van mij verwacht wordt. Dus gis ik en loop naar de plaats waar ik vanzelf heenga, ook als niemand me een opdracht geeft.

Een van de mannen komt achter me aan. Het is Rockie. Ik herken zijn tred met de laarzen waarin het stro zo aangestampt is dat het als een klont onder zijn voetzolen zit. Elke stap hoor je twee keer; de laars hangt los om zijn voet en de hak raakt de grond voor hij zijn hiel heeft neergezet. Hij volgt me naar de stal opzij van het huis, gaat met me mee naar binnen.

‘Doe het snel, kleintje,’ zegt hij als ik voor het zadelrek ga staan. Ik treuzel, schuif met mijn voeten, dus duwt hij me zacht opzij. Op iedere arm legt hij een zadel, links zelfs dat van de hengst, met de speciale achtersingel. Ik kijk hoe hij de zadels op zijn heupen laat rusten en loop achter hem aan. Eén stijgbeugel is niet goed vastgemaakt en sleept over de grond, de andere zwiept tegen zijn dij. Nu weet ik dat hij het is die me een opdracht heeft gegeven. En wordt me duidelijk wat hij heeft gezegd: dat de paarden zo snel mogelijk naar zee moeten, dat ook mijn pony mee moet.

Rockie doet de paarden. Hij wordt er, geloof ik, door mijn vader voor betaald. Hij doet ook andere dingen, maar vooral de paarden. Tenminste, dat is wat ik zie, ik ben niet bij hem als hij met de bestelwagen naar Chacka gaat, heb dus geen idee van wat hij verder uitvoert. Met een buiging legt hij het zadel van mijn pony voor de stal. Hij wijst naar het bit en de teugels aan de haak naast de balk. Ik kijk ernaar, naar mijn pony, vraag me af of ik met blote benen zal rijden; mijn rijbroek ligt in het huis waar ik niet binnen mag. De kust is meer dan een uur hiervandaan. Ik leg mijn handen in mijn nek. Ik heb daarnet de kortste weg door het stoppelveld genomen om aan het licht de ontsnappen, om de lucht en de velden om me heen niet meer te hoeven zien, om eindelijk weg te komen uit de leegte die me al de hele dag omringde; nu moet ik er op mijn pony toch weer doorheen.

Rockie loopt door naar de box van de hengst om hem te zadelen. Zijn vrouw Lorne is de enige die de hengst berijdt. Ze werkt in de ijzerwinkel van Chacka, maar de onbeleerde paarden zijn voor haar. Ze is maar een hoofd groter dan ik, ze rijdt licht en hoog als een jockey. ‘Komt Lorne?’ vraag ik hoopvol.

Rockie knikt. Hij maakt een beweging naar het huis. ‘Ze is er al,’ zegt hij.
Mijn weerzin voor de rit vermindert. Ze zal tegen mij en tegen mijn pony praten, niet zwijgend naar me kijken zoals Rockie.
Lorne komt even later in haar mouwloze jasje van grijs velours de stal in. Uit haar laars steekt een zweepje met een lus. Ze heeft mijn broek bij zich, mijn rijschoenen en mijn chaps. ‘De paarden moeten de branding in, Chloe,’ zegt ze. Ze houdt de broek voor me op. Ik stap erin, ze bekijkt met een frons de schrammen en het bloed op mijn benen. Ze buigt over me heen en trekt mijn broekband omhoog. ‘Je bent dapper, je redt het wel.’ Zodra ze met mij klaar is loopt ze naar Rockie om hem te helpen. ‘Hoe is het daarbinnen?’ hoor ik hem ingehouden vragen. Hij is met het hoofdstel van de hengst bezig, schuift een vinger in de mondhoeken en duwt het bit naar binnen.

Ze spreekt net zo stil als hij wanneer ze zegt: ‘Ik weet het niet. Geen verandering.' ‘Maar wat denk je? Ziet het er slecht uit?’ Lorne gooit de leidsels over de nek. Ze blijven hangen in de manen, dus gooit ze opnieuw. Over haar schouder kijkt ze heel even in mijn richting. ‘Daar kunnen we het nu niet over hebben,’ antwoordt ze, en ze geeft de hengst een paar klopjes op de schoft.

Er is geharrewar op het erf. ‘Leid de paarden naar de poort,’ roept Rockie. Hij loopt naar de staldeur en gaat naar buiten. Achter hem, in de flits die het zonlicht veroorzaakt, zie ik een auto. Ik herken het voertuig, het is dat van de dokter. Ik herinner me hem van toen de huid onder mijn teennagel door een splinter zo opzwol dat de nagel van mijn teen loskwam en ik van de geur van de etter onwel werd.

Lorne schuift de poort open. Ze heeft de zes bruinen uit hun boxen gehaald en hun halsters aan elkaar vastgemaakt. Ze klimt op de hengst en rijdt voor me uit. Ik volg haar, de paarden voor me als schakels van een ketting, zonder regelmaat. Op de veranda is het nu stil, iedereen is naar binnen. De hordeur staat half open. De hond heeft nog geen week geleden een slang voor de deur gelegd, maar dat lijkt iedereen nu te zijn vergeten. Lorne roept iets, tegen mij of tegen de bruinen, dat is me niet duidelijk. Rockie komt op zijn eigen paard achter ons aan, in zijn flank de ontzadelde merrie van mijn vader.

We gaan van draf naar stap en weer naar draf. Waar we voorbijgaan stijgen de kraaien uit de velden op. We komen bij het huis van Rockie en Lorne, waar de huidjes die hij droogt in rijen onder het afdak hangen. Rockie gaat naar binnen. Lorne helpt me van de pony af. We drinken melk en gaan naar het poezennest kijken. Ik moet op mijn buik op de grond liggen en mijn spieren strekken, zegt ze, zodat ik straks weer fit ben voor de rit naar de kust. Ze ligt naast me, legt haar arm over me heen. Als ik rechtop wil gaan zitten drukt ze me tegen de grond. Ik wring me los, kijk haar aan, ze heeft zwarte strepen op haar gezicht, haar wangen zijn nat. Rockie komt naar buiten met twee zadeltassen, maakt er een aan de hengst van Lorne vast en een aan zijn eigen paard. We stijgen elk weer op ons rijdier, de ongezadelde paarden tussen ons in. De zon daalt schuin voor ons neer en rekt de schaduwen van de paarden. ‘Gaat het? Gaat het wel?’ vraagt Lorne een paar keer. Mijn rug en mijn schouders doen pijn, maar het is niet van de rit. Misschien is het van de zon of van de wind: het voelt alsof iemand me met een koude hand bij het nekvel vasthoudt. De heuvelkammen veranderen in duinruggen, met op de verhogingen een verdichting van bosjes helmgras. De bodem onder de hoeven wordt dik, zacht en glad; de paarden zwoegen.

We ruiken de zee voor we hem zien. De paarden hef- fen hun staarten, knorren, draaien hun oren, ze lijken beter dan ik te begrijpen wat hun te wachten staat. Rockie legt de zadeltassen in het zand. Het zadel van de merrie plaatst hij ernaast. Hij trekt zijn laarzen uit, loopt het water in tot het aan zijn broekriem komt, het paard van mijn vader achter zich aan.

De merrie steigert in de golven. Rockies hand zit als een klem rond de teugels. In zijn andere hand heeft hij een waterschep, die hij vult, over de manen van de merrie uitgiet, weer vult. Hij giet het water over de plekken waar de kloven zitten, het haar dun is en de huid rauw. De merrie rolt met de ogen, springt zo ver mogelijk uit het water op, breekt met haar lijf de golf. Maar Rockie laat haar niet los, spreekt haar toe, dwingt haar.

Lorne rijdt de hengst van de andere paarden weg, gaat verderop, tegen de wind in, evenwijdig aan de branding, waar het rustig is en de hengst het gehinnik van de merrie niet kan horen. Daar jaagt ze hem de branding in. Ze maakt dezelfde bewegingen als Rockie. Ook de hengst is opstandig, onwillig, niet met het water vertrouwd. Ze moet het drie of vier keer opnieuw proberen. Ze houdt zijn leidsels strak, richt haar zweepje hoog op. Ik kan niet zien of ze slaat. Een voor een komt Rockie de andere paarden halen.

Hun hoeven laten kuilen achter in het zand die zich ogenblikkelijk met water vullen. ‘Ontzadel je pony,’ roept hij, staand naast de zadeltassen die als roggen op het strand liggen. ‘Met hem is er vast geen probleem, maar laat hem voor de zekerheid toch maar baden.’ Ik leg mijn zadel op het strand. Mijn pony volgt me over het zand, dat op de vloedlijn glad is als een plas.

Eerst voelt het water koud, en trekt het met een kracht die me doet wankelen. Mijn pony knort, richt zijn oren op, strekt zijn nek. Hij gaat me voor, hij is niet bang. Dieper in zee wordt de golfslag slomer. Maar mijn pony is niet groot, wij gaan niet zo diep het water in als de anderen. Als de volgende golf aankomt houd ik me vast aan zijn nek. Bij het keren van het water raak ik weer de grond. We wennen aan het geluid van de zee, het trekken van het tij, het bijten van het zout in onze wonden.

De paarden staan weer op het droge, hun teugels vast aan takken in de struiken. Lorne verzamelt kokkels op het strand. Rockie opent ze met een scherp mes, eet ze rauw. Ik zoek schelpen op kleur, de mooiste zijn roze als tandvlees. Mijn voeten zet ik behoedzaam neer, goed uitkij- kend om er geen te vermorzelen. Ik lijk geconcentreerd maar in mijn hoofd tuimelen gedachten, beelden van thuis, het geweer tegen de muur, mannen die roepen: het kleintje is er, eindelijk is ze terug.

Lorne gaat op de hoogste duin staan. Ze kijkt door de verrekijker naar het achterland. ‘We blijven vannacht hier,’ zegt ze tegen Rockie als ze terug is.
‘Jezus!’ antwoordt Rockie.
‘Hierachter is een goede plek, een beetje weg van de zee,’ zegt ze. En dan, stiller, met het hoofd van me afgewend, terwijl ik doe alsof al mijn aandacht naar mijn schelpen gaat: ‘Het kind moet nog even wegblijven, het is daar niet in orde.’ Rockies hoofd zakt tussen zijn schouders, hij kucht, gaat zitten waar hij staat, zijn hoofd in zijn handen. Landinwaarts, ter hoogte van het houten kruis op het duin, de herinnering aan een groot schip dat lang geleden zonk, zetten ze een tent op. Ik wist niet dat ze een tent bij zich hadden. Het is zo goed als windstil. Er overvalt me een angst die op honger en dorst lijkt: dat ik hier zal moeten slapen met achter het duin niets dan de uitgestrektheid van de zee, en boven me niets dan de uitgestrektheid van de lucht, ik die als de avond komt zo’n behoefte heb aan een holte om in weg te kruipen: een huis, een bed, een deken. Ik kan het niet zeggen, ik kijk sprakeloos naar hoe ze met hun hakken de haringen in de grond stampen.

Als ik iets te eten vraag blijkt dat ze vooral water bij zich hebben. Ze hebben ook een paar appels en een blik corned beef, maar geen brood, daar hebben ze in hun haast niet aan gedacht. Ik lust geen corned beef, dus loop ik het duin op. Ik neem Lornes verrekijker mee en probeer te zien wat zij heeft gezien. Ik kan kijken tot aan de graansilo’s verderop, zie ons huis ver weg, maar het is niet meer dan een stip aan de horizon. En er is het pad waarlangs we zijn gekomen, heel vaag, alsof het sinds onze doortocht is overwoekerd. Ik ga in het zand liggen. Ik kijk heel laag over het landschap. Het is als langs mijn vaders borst omhoog kijken, dezelfde glooiing, dezelfde begroeiing op de plaatsen die zich verheffen. Ik denk aan de korhoenders op het grind voor de veranda. Niemand die ze op het aanrecht legde. Niemand die over hun veren streelde om te zien hoe het verendek van kleur verandert.

Waarom ben ik hier, vraag ik me af. Waarom zo plotseling? Ik speur de bosjes af, verwacht dat er iets gebeurt, dat ik een hert zie, bijvoorbeeld, of dat Jezus uit het kreupelhout verschijnt.

Ik heb een naar gevoel, ik kan niet zitten zonder onwillekeurig te schommelen. Als mijn pony in de stal staat gaat hij weven met zijn hoofd, urenlang voor zijn voederbak op en neer. Hij doet het tot ik iets met hem onderneem. ‘Hij voelt zich onbehaaglijk,’ zegt mijn vader dan. Het dier wil naar buiten, maar als ik aan onbehagen denk, denk ik juist aan licht en lucht, wil ik vooral naar binnen. Rockie en de paarden zijn verdwenen. Lorne heeft de natte kleren op de scheerlijnen te drogen gehangen. Haar laarzen staan opzij van de tent, het zweepje erin. Het wordt donker en ze haalt een gaslamp uit de zadeltas. Hij brandt met een blazend geluid aan haar voeten. ‘Wanneer komt Rockie terug?’ vraag ik. Er verschijnen sterren. Ze drukt haar sigaret uit in het lege blik van de corned beef. Ik zeg dat ik naar huis wil, naar mijn bed met de beer en het nachtlichtje, dat ik niet hier wil overnachten.

Ik sta rechtop in de tent. Mijn voorhoofd raakt het doek. ‘Ga liggen,’ zegt Lorne voor de zoveelste keer. Er zit een tintelende pijn tussen mijn schouderbladen. Ik sta hier al een tijdje. Over mijn schouder kijken gaat niet, mijn kop zit vast als in een halster dat veel te strak is aangespannen. De tent ruikt naar paarden en leder omdat in de hoek de zadels liggen. Het is een goede geur, beter dan die zoute lucht van buiten. Maar hij stelt me niet gerust. Ik kan niet gaan liggen.

Lorne komt naast me. Geknield raakt ze met haar hoofd net niet het tentdoek. Ze strijkt door mijn haar en legt haar vingers tegen mijn gezicht. Ik ruik de geur van nicotine op haar handen. De gaslamp achter het muggengaas gooit een warrige schaduw. Ze probeert me tegen zich aan te drukken, trekt me tegen haar mouwloze jasje dat van molshuid gemaakt lijkt, maar ik maak me hard en houd mijn armen stijf. ‘Hier,’ zegt ze, ‘laat dit smelten onder je tong.’ De gaslamp belicht haar dooraderde handen. Ze houdt me een doosje voor vol kogelronde tabletjes. ‘Mij helpen ze uitstekend.’ Ik weet niet wat er verholpen moet worden. Ze zet het doosje tegen mijn lippen. Ik voel dat haar hand trilt. Ik zuig de pilletjes op zoals ze me vraagt, maar ik kan niet gaan liggen, de pilletjes werken niet.

Ze stelt voor om even naar buiten te gaan. Ik zeg niet ja en niet nee. Ze trekt aan de rits. Hij gaat een paar centimeter open en blokkeert. ‘Verdorie,’ sist ze. Ze knielt om meer kracht te hebben. Ze trekt het tongetje op en neer, snokt, probeert opnieuw. ‘Wat een rottent,’ zegt ze. ‘Een rottent op een rotdag.’

Ze loopt naar de zijkant van de tent en grijpt het zweepje dat uit haar laarzen omhoogsteekt. Ik schrik, denk dat ze naar me toe zal komen, de zweep voor me op zal houden zoals voor de hengst. Maar dat doet ze niet. Ze gooit de zweep op de grond en trekt haar laarzen aan. Als een houten klaas loop ik achter haar aan. We gaan opzij tussen de struiken, maar ik kan geen plas meer doen, zelfs niet als zij het me voordoet. ‘Ga terug en wacht tot ik kom. Ik blijf niet lang,’ zegt ze als ze klaar is. De punt van haar sigaret zweeft voor haar uit. Ik ga naar de tent, blijf ervoor staan, kan niet naar binnen. Op de grond vind ik haar zweepje. Ik weet dat er overal doornstruiken zijn, maar ik loop haar toch achterna. Het zweepje zwaai ik als een blinde voor me uit. Lorne gaat naar de plek waar Rockie en de paarden zijn. Terwijl ze stapt slaat ze het zand uit haar kleren. Ik blijf aan de andere kant van het bosje. In het donker lijken de duinen allemaal op elkaar. Ik oriënteer me op het kruis van het gezonken schip. Ik volg haar, het bosje tussen ons in. Ze kijkt niet één keer in mijn richting. Rockie heeft de paarden naar de kreek verderop gebracht. De wind kan weer opsteken, achter het hagenbos staan de dieren beschut. Bovendien groeit er klaver en alfalfa. Hij heeft er zijn eigen slaapplek met een zeil en een slaapzak. Je weet waar hij is omdat je steeds zijn kuchje hoort. ‘Dit lukt nooit,’ hoor ik haar zeggen als ze hem heeft bereikt. ‘Ik dacht dat ik goed was met kinderen, maar hier breng ik niets van terecht.’

Rockie richt zich op. Hij kucht en ritst zijn slaapzak open. Lorne gaat naast hem op het zeil zitten. Ze zitten met hun gezicht naar de paarden toe. Het belet me niet om de zweep op te tillen en uit het struikgewas naar voren te springen. Ik ren recht op de dieren af. Zo hard ik kan sla ik met de zweep op de merrie van mijn vader. De merrie hinnikt, springt verschrikt opzij.

‘Ho!’ hoor ik Rockie roepen. In een flits zie ik hem naar het paard toe hollen en zijn arm om de nek van het dier gooien. Alsof het afgesproken is vliegt Lorne op mij af, pakt me op, rukt me naar achter, weg van het paard en haar hoeven.

De merrie wordt weer rustig. Ik ben nog niet sterk, maar ik heb haar goed geraakt. Rockie praat met het dier, ik weet niet wat hij zegt. Het duurt een tijdje, en dan komt hij bij ons terug. Ik sta tegen Lorne aan, tril nog na, kan niet uitleggen wat me bezielde.

Zoals hij de paarden naar zee bracht, leidt Rockie me tot bij de merrie. Ik zie het glanzen van haar vacht in het donker, hoor haar adem, het kloppen van haar hoef als we naderen. Rockie praat met mij. ‘Ze weet het niet meer, ze herinnert zich niet wat ze heeft gedaan. Dus is het nu te laat om haar te slaan. Het is een goed paard, ze was alleen maar korzelig omdat ze last had van haar eczeem. We hadden al veel eerder naar de zee moeten komen. De zee ontsmet. Stout is ze nooit geweest. Zonder jeuk had ze haar benen niet opgegooid. Ze heeft geen kwaad in de zin. Kijk naar haar, in haar ogen zie je het heelal.’ Hij tilt me op. Ik kan zien dat de merrie ons ziet, veel beter dan wij haar in het donker. Haar zwarte, kogelronde oog glinstert, de sterren schitteren op haar oogbol. We wandelen langs de hagenbosjes terug. Ik ben kalm nu, ik kan mijn hoofd draaien zonder pijn te voelen in mijn nek. Lorne loopt een eind voor ons uit. ‘Rockie, ik wil een raadsel,’ vraag ik als we ter hoogte van het kruis komen.
‘Wat voor een raadsel?’
‘Gewoon iets waarvan jij denkt dat ik het niet weet.
Papa geeft altijd raadsels als ik niet kan slapen.’ Rockie legt zijn hoofd in zijn nek en zucht heel diep. Zijn ene arm ligt over mijn schouder, onder de andere klemt hij zijn slaapzak. Niet volgens plan, maar hij slaapt vannacht niet bij de paarden.

Ik lig tussen hen in, de zure lucht die ze uitademen strijkt over mijn gezicht. Ik slaap slecht, ik ben niet gewend aan bewegende lijven naast me. Lang voor de dag aanbreekt ben ik wakker. Ik loop naar buiten, het duin op. Ik klim met mijn tenen diep in het zand de helling op, voel mijn hielen wegzinken als ik eenmaal over de duinrug heen ben. Tussen het helmgras lukt het me eindelijk te plassen. Een kleine vissersvloot vaart uit, waaiert uit over de zee, wordt onzichtbaar in de mist.

Ik ga weer naar binnen, al is de warmte in de tent ondraaglijk. Ik luister naar het ademen van de twee volwassen mensen naast me. Reusachtig als walvissen zijn ze, maar onrustig, bewegend en kreunend in hun slaap. Ik houd me stil maar ze beginnen toch te praten. Soezerig, in korte zinnen meldend dat het nog veel te vroeg is, maar het lukt geen van ons drie om weer in te slapen.

Lorne gaat meteen op de heuvelrug staan. De mist is opgetrokken en de wind is terug. Ze tuurt, laat vervolgens de verrekijker zakken. Ze heeft last van de piekjes haar die in haar gezicht zwiepen. Twee meeuwen vechten in hun vlucht. ‘We moeten terug, je hebt vast honger,’ zegt ze als ze weer beneden komt.

We keren terug in de zekerheid dat we beter hadden kunnen blijven. Over de maïs ver weg scheren windhozen. Rockie en Lorne rijden met op elkaar geklemde kaken. De paarden raken bestoven. Je zou verwachten dat ze gaandeweg hun stal ruiken, maar ze voelen de spanning: ze rukken veel meer aan hun teugels dan gisteren, zelfs mijn pony wordt stug. We komen weer langs hun huis met de huidjes. We passeren de vijver met de eenden. We doorkruisen het stoppelveld en maken de omweg om de doornstruiken in de akkerrand te vermijden. Op het karrenspoor beginnen Rockie en zijn paard te sjokken. Nu zie ik het, nu begrijp ik waar Lorne door de verrekijker naar keek. Mijn moeders was hangt nog steeds aan de wasdraad. Hij is kurkdroog ondertussen, hij raakt zelfs stoffig van de droge wind, maar iets houdt haar zo bezig dat ze er niet toe komt de lakens, de handdoeken, de onderbroeken waarvoor ze zich geneert, van de lijn te halen. We maken de paarden aan de schutting vast. Rockie wacht op Lorne, zonder haar gaat hij de veranda niet op. Lorne bijt op haar lip, strijkt door haar haren, blijft voor de deur met haar ene voet op de andere wachten.

Mijn moeder heeft ons horen komen. ‘Chloe!’ roept ze, alleen mijn naam. Ze komt de deur uit, grijpt mijn hoofd vast en kust mijn haren. Ze wendt haar blik af als ik haar aankijk, haar slechte oog onbedekt, de iris dof. Ze houdt de hordeur voor me open.

Ik heb mijn armen voor mijn borst gekruist. Ik kan niet naar binnen. De pijn tussen mijn schouderbladen is terug, en er is weer die onwil van mijn armen en mijn benen. Ze bewegen niet, ze zitten aan me vast als planken. Onze kleren scheppen wind, het stof op de vlonder vliegt op en waait tegen ons aan. Lorne heeft haar zweepje in haar rijlaars zitten. Ik hoop dat ze het pakt, het ophoudt en me naar binnen dwingt, maar ik ben geen paard, ze gebruikt het niet tegen mij.

Omdat ik blijf staan gaat mijn moeder weer het huis in. Als ze terugkeert zien we eerst haar rug. Ze trekt iets achter zich aan op grote wielen. Het is een rolstoel. Mijn vader zit erin. Om zijn nek zit een witte, hoge band. Zijn voeten staan houterig in de steunen, zijn armen liggen stram op de armleuningen, maar op zijn gezicht heeft hij een glimlach. ‘Goeiemorgen,’ zegt hij met een basstem die ik niet herken. Hij tilt zijn hand op en beweegt zijn vingers. De opluchting bij Lorne en Rockie! Hun mond valt open, hun handen vliegen naar hun gezicht. Ze lopen op hem af, grijpen hem bij de bovenarm, lachen en praten. Ze staan zo dicht tegen hem aan dat zijn stoel achteruitrolt. Mijn moeder moet hem op de rem zetten om hem stil te laten staan. Mijn tong zit droog tegen mijn verhemelte. Ik kijk naar mijn vaders armen en zijn benen. Ik herken de stramheid, de verkramptheid die je plots kan treffen. Mijn benen ontspannen, ik kan mijn armen optillen, ik kan naar hem toe lopen en hem aanraken; de hand die ter hoogte van mijn schouderbladen mijn teugels vasthield, laat los.

Zestien dagen later sterft hij aan de gevolgen van zijn val. Wat ik me herinner is niet zijn dood, of de begrafenis die erop gevolgd moet zijn. Wat me is bijgebleven is de vreugde van die winderige ochtend dat hij in de deuropening verscheen, lachte, zijn hand optilde en ‘goeiemorgen’ zei.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!