| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Niets gaat weer weg zoals het is gekomen

(pdf)


Kleine Karoo, 24 januari 1826

Teerbeminde,

Avond na avond denk ik je te horen komen, op je sokken of je gepunte schoenen, in glijdende tred, zacht hijgend van de klim op deze heuvel. Geen wind kan de gordijnen doen opbollen of ik denk een deur te horen opengaan, de geur van paarden te ruiken, en van vlees op open vuur. Ik loop door het huis, alleen met ons kleine meisje, je gereedschap en je aantekeningen. Op je leestafel nog het boek met de losse rug en de bindingen bloot, binnenin de woorden die je voor mij hebt aangestreept: nabuurland, rustgebied, nevelwoud, woonkern, zandduin. Mijn buik is hard als been, je kind zal nu snel komen. Ik schik de bakerdoeken op de bleekdraad, breng steeds weer in herinnering wat je zei: ik blijf niet lang, ik kom bij je terug, ik houd van je.

De pijn, een tijdlang kon hij worden weggedacht. Maar als hij komt is men met hem alleen, dat weet je. Ik blaas en zuig, schud het hoofd. Als de pijn afneemt heb ik het gevoel te zijn gezegend. Ik zet door, uitsluitend omdat ik niet geloof dat leed van deze orde zich herhaalt.

Maar hij komt weer, duikt met me de diepte in. Ik onderga hem met een moed die me van afschuw vervult, blijf ademen omdat dat het enige lijkt dat me van doodgaan scheidt.

Je moeder loopt achter me aan. Ze legt nu en dan haar handen op mijn hoge buik, betast het vel dat als een trommel spant. Als de nacht valt, slaapt ze naast me in. We weten allebei hoe het zal gaan: ze zal uiteindelijk in me graaien, tentakels ontwarren, de glibberige anemoon uit me plukken. Lakens en doeken zullen scheuren, vast ook een stuk uit mijn lijf, maar we zullen diep ademhalen en lachen. Misschien wordt het de zoon die je wenste. ‘Hier is hij dan toch,’ zullen we zeggen, ‘in een heel nieuwe gedaante, wij die dachten dat hij door een leeuwin was gehaald.’  

Dit land doorreizen is gevaarlijk, ik kan je niet genoeg waarschuwen. Er zijn slangen die liggen te wachten tot je voorbij rijdt . Ze slaan zich razendsnel om je chassis. Je denkt dat je er eentje hebt overreden, dat haar kop door een paardenhoef van haar staart is gescheiden, maar kort daarna zie je haar je gezond en wel de koets in glijden. Is dat wat er is gebeurd, mijn liefste? Kom je daarom niet bij me terug?

De kamer zal ik nu niet meer verlaten. Ik bevind me ter hoogte van de vogels in de bomen. Ze zitten stokstijf in de nevel van de ochtend, maken zich nu en dan al met een zacht gekwetter kenbaar, maar ze zijn nog lusteloos, onzeker of het licht wel komt. Onder me verandert de matras van kleur. De vliegen komen op me af, ze zoemen naar mijn schoot als naar een nest. Ik houd me roerloos en wacht. De druk in mijn buik,  het schroeien van mijn schaamstreek maken me aandachtig, toegewijd aan mezelf alsof ik de spil van deze kamer ben, van dit huis op de heuvel dat jij niet meer kan vinden. Mijn gewicht en omvang doen me geloven dat ik kracht heb, invloed en zeggenschap op wat er verder gebeuren gaat, dus haak ik mijn vingers in elkaar, en bid, bid dat je komt.

Kleine Karoo, 4 februari 1826

Teerbeminde,

Nog steeds jaagt de wind door het huis. Men heeft het over de regenwolken die over het land komen. Misschien valt het water, misschien ook niet. Elke windstoot klinkt in onze oren als het razen van vuur. Het put ons uit, mij en het kleintje. Midden in de dag val ik in slaap. Ik droom van kamers die zich openen, gordijnen die van hun roede vallen, schrikbarend zonlicht op de tegelvloeren. Dan word ik verhit wakker, hoop snel opnieuw weer in te slapen. Je kleine jongen weert zich goed. Hij weet niet van jou af, kent alleen zijn dorst. Als hij mij niet tijdig aantreft zuigt hij op zijn handje, zo driftig dat het lijkt alsof hij het wil opzwelgen. Of hij pakt mijn vel in zijn mond, zuigt blauwe plekken in mijn arm. Hij vindt me met zijn neus, weet in zijn slaap aan welke kant hij me moet zoeken. Hij masseert mijn borst en trekt zijn knieën hoog op, plaatst zijn voeten tegen me aan alsof hij me beklimt. Zijn mond aan me vastgeklonken met die zachte randen van zijn gehemelte, zijn neusvleugels wijd, vecht hij met me alsof ik hem ergens toe heb uitgedaagd. Pas als de melk stuwt wordt hij kalm, en gaat hij over tot een smartelijk, fronsend zuigen. ‘Hij verteert me,’ zeg ik tegen je moeder. Soms blijft hij zuigen als hij allang voldaan is. Gewoon nog wat met de lippen bewegen om de schijn op te houden. Indutten, vervolgens boos worden omdat ik geruisloos van hem wegga. ‘Maar je slaapt!’ zeg ik, en bij het horen van mijn stem gaan zijn ogen open, is hij ineens klaarwakker omdat ik hem beschuldig. Hij strekt zijn gebalde vuisten hoog boven zijn hoofd, een speekseldraad tussen zijn lip en mijn tepel, kromt zijn ruggengraat, niet alleen naar voor en naar achteren, maar ook opzij, in zijn lendenen beweeglijk als een salamander.

Nu en dan schrik ik van twee peuterhanden op de matras. Ons meisje, dat zo op je lijkt, wil bij me in bed, ze sleept voorwerpen met zich mee die te groot voor haar zijn: je hemd, je laars, je schoudertas. Ze heeft de vlezigheid van pruim of perzik, ruikt naar zand en aarde, heeft vuile nagelranden; ik zet mijn schouder hoog tussen haar en het kleintje. Samen kijken we naar de hoornraaf op zoek naar hagedissen, of naar die vogels in de boomtoppen die ik nooit eerder heb gezien. Ze hebben een kuif van veren en een oranje snavel, soms zijn ze bruin, soms olijfgroen, altijd met een rauwe washuid en een kale nek. Je moeder haalt de draad tussen haar tong en lippen voor ze hem in de naald stopt. ‘Wat maakt deze kinderen speciaal?’ vraag ik haar. Ze slaat haar ogen op, antwoordt een tijdlang niet. Ons meisje heeft je hemd al als een schut om ons heen geslagen als ze zegt: ‘Dat ze de kinderen zijn van hun vader. Liefdeskinderen, niet meer dan dat. Dat wij allemaal de tijd hebben gekend dat ze er nog niet waren, en ons die tijd nu niet meer kunnen voorstellen.’

Ik denk, mijn teerbeminde, aan toen we aan de bedding van de uitgedroogde rivier stonden. We liepen weg uit de huizen waarin we niet wilden opgroeien en maakten vuur tussen de aloë’s. Uit een gat in de grond spoot plotseling een wolk van vleermuizen omhoog. Ze dwarrelden als vuurwerk door elkaar heen, met honderden opgeschrikt uit hun slaap, zonder het minste geluid. ‘Zie je dat?’ vroeg je, ‘Ondergrondse grotten! Hier wil ik later terugkomen. Onthoud deze plek voor me, wil je? Ik zou het zelf doen, maar ik ben te opgewonden.’

Ik stel me voor dat je daar nu bent, op die plek in de rivierbedding die ik voor je onthield. Dat je er wacht tot de kinderen groot zijn. Dat je daarom je kleren en je schoudertas tussen de aloë’s hebt achtergelaten. Ik heb nog nooit ijs gezien, maar toch voelt het alsof ik aanhoudend bezig ben ons kleintje uit het ijs omhoog te hakken. Ik schraap en krab, wrik hem los, een beeldschoon, ongeschonden vrieskind waar een adem uit omhoog kringelt, een kristal, een breekbare pop, bijna klaar om naar je toe te komen. En je dochter, zij is je schatbewaarder, ze strijkt met haar handje de vouwen uit je hemd en wrijft je laarzen. Ze kijkt naar hoe je moeder je kapotte, door de zon en het zand verharde kleren verstelt. Niets gaat weer weg zoals het is gekomen, lijkt ze te denken, en ze behoudt de diepste stilte die ik ooit heb gehoord.

Kleine Karoo, 18 februari 1826

Teerbeminde,

‘Dorst zal altijd naar je terugkeren,’ zegt je moeder als ik na een lange nacht om water vraag. ‘Wat er ook met je gebeurt, hoe beroerd je je ook voelt, dorst verlaat je nooit, als dat geen geruststelling is!’ en dan lacht ze. Ze draagt dikke wollen kousen, opgetrokken tot boven haar knieën. Er komen mensen naar onze zoon kijken. De meeste bezoekers praten traag en weinig, tegen mij zeggen ze meestal niets. Hun kinderen rennen de kamer uit, gaan op het hoge balkon staan en spelen dat ze kunnen vliegen. Zenuwslopend vind ik hun doen alsof, ons kleine meisje kijkt ernaar alsof ze zich voorneemt ooit iets soortgelijks te doen. Ik houd haar bij me in bed, ze hoeft die spelletjes niet te zien, na een tijdje gaat het bezoek toch weer weg. Voor de rest doe ik niet veel meer dan kijken naar de zebrahuiden tegen de muur, de haartjes die dicht tegen elkaar ingeplant staan, als koren dat door een regenbui is neergeslagen, als de donsharen op de schedel van onze zoon. Of ik staar door het raam, naar de konvooien die voorbijtrekken, pelotons die nodig zijn voor de bevoorrading, het aanvoeren van het hout, in het gareel van de wagens de hoefdieren, de sporen die ze nalaten, het kalme bewegen van hun kaken. De slaap, die we vroeger altijd tijdverlies vonden, is nu de enige bij wie ik troost vind. Wat is er van me over, vraag ik me soms af, van de kat die ik was, van het spelen, springen, kirren?

Ik dwaal door het huis, doodmoe van al mijn reeds gedachte gedachten. Ik denk aan de dorpen die jij achter je laat, de steden die je vernietigt. Een stad kun je verwoesten om de inwoners tot overgave te dwingen. Je kunt een stad ook kapotmaken als het al niet meer nodig is. Dan is de overgave al gebeurd, maar ging dat zo moeizaam dat de belagers nijdig zijn. Ze trekken de straten door belust op wraak. Ze richten brandjes aan, slaan woningen kort en klein. Ze hebben wel gewonnen, maar ze hebben tegenstand gevoeld, dus moeten ze vernederen en plunderen. Is dat wat je hebt gedaan, mijn man, ben je meedogenloos geweest? Is het schaamte die je ervan weerhoudt naar huis terug te keren?

Vroeger was ik vrekkig met mijn aandacht. Er waren plantjes in de moestuin die aandacht nodig hadden, buurvrouwen, kunstvoorwerpen waar je lang naar moest kijken voor hun schoonheid tot je doordrong. Nu gutst mijn oplettendheid eruit, het vloeit weg, ik houd het niet meer op, al mijn concentratie vloeit naar jou. Overal kom ik je tegen, in elke hoek van iedere kamer, je broek van gekeperd katoen, je hemd met de kanten mouwen, je mes en je riemen van leder, alsof je gerief en je benodigdheden zich in stilte vermenigvuldigen.

Nu en dan vind ik afleiding in het kleintje: hem wassen, bakeren, de spruw van zijn tong krabben, de korstjes uit zijn neus halen, de muggen en de vliegen weghouden, zorgen dat hij het niet te warm krijgt, geen tocht vangt, venkel op zijn tong leggen als hij ongemak lijdt, de verbindingen in mijn hoofd herstellen. ‘Je voelt je beter,’ zegt je moeder als ik mijn best doe om te eten, ‘ik zie het. Je krijgt weer kleur in je gezicht.’ Ik keer me van haar af. Ik moet met mijn handen het tafelblad omklemmen om haar niet aan te vliegen.

Kleine Karoo, 26 februari 1826

Teerbeminde,

Ik heb je teruggezien, ik moet het je vertellen. Het gebeurde terwijl ik wachtte tot ons kleintje wakker werd. Het was hoog tijd voor hem zowel als voor mij: hij spande zich op in zijn slaap, balde zijn vuistjes voor zijn gezicht, smakte met zijn lipjes, zo vol hartstocht dat van diep onder mijn oksels de melk toeschoot. Tussen slapen en waken denkt hij aan mij, weet ik, aan mijn tepel, en aan die grote, ronde borst die als een overrijpe perzik voor hem klaarligt. Aan beide kanten van het huis stonden de deuren wijd open, dat voelde je aan de tocht die door de kamer joeg. Daar te liggen in de wind deed goed, al vermoedde ik dat ik te kijk lag, zo met mijn borststuk bij voorbaat los. Dus trok ik de tule van het baldakijn over me heen, sloot nog even mijn ogen tegen het licht.

En toen plotseling lag je naast me, helemaal onverwacht, alsof ik je droomde. Op slag was het ijzig koud, je had de winter meegebracht. Ik keek in ongeloof doorheen de tule, naar je haarlok, je oorschelp, de stoppels op je kaak. Je lag roerloos op je rug, de ogen gesloten, en haalde langzaam adem, de lucht zachtjes ronkend in je neus.
Er speelde een kleine glimlach om je mond. ‘Kom,’ zei je, ‘we spelen dat ik al sliep.’
‘Ja,’ zei ik, ‘jij sliep al,’ en ik raakte je aan, mijn vingertoppen over je arm, je elleboog, je sleutelbeen, je borst, behoedzaam, omdat ik geloofde dat delen van je zouden verdwijnen als ik ze te onbesuisd bevoelde. Je was nieuw, je lijf was gladgeschoren, met die knokige ledematen was je jongensachtiger dan ooit; je leek nauwelijks op jezelf, net voldoende maar om je te herkennen.
‘Je neemt een maanlandschap,’ fluisterde ik. ‘Een woestijn of een savanne, dat is het begin. Je vraagt je af hoe de stad zich zou ontwikkelen als je ze niet plande: als een termietenheuvel, als het web van een spin. Je zoekt uit waar de drinkplaatsen zijn, waar de vluchtroutes, welke trajecten de hoefdieren volgen, welke de bijen. Van daaruit plan je. Je bouwt een enclave voor de toekomst.’
Ik schikte de tule over je heen, zette ons een tent op voor de nacht. Ik maakte me zo lang mogelijk, spreidde me over je uit. Ik omhelsde je zoals ik onze kinderen heb omhelsd, helemaal op het einde, vlak voor hun geboorte, toen ik ze bevatte met heel mijn huid.
‘Je tekent een plan,’ ging ik verder, ‘je zoekt een plek voor het weiden, voor de legers, voor de markten. Je bouwt een portaal voor een continent, een nieuw Jeruzalem, met voor elke mens een boom, want een mens heeft schaduw nodig.’ Het werd warm onder de tule. Alleen mijn voet en mijn kuit hingen nog uit het bed. Het was belangrijk dat mijn been daar bleef, op die ijskoude plek, voor het in toom houden van de gloed, het onderdrukken van de koorts. Je ogen gingen open. Je tilde mijn bekken op, legde je hoofd naar achteren, strekte je hals, alsof alles van je wegviel, alle reizen achter de rug waren, alle gevechten gestreden.

Je verliet het bed niet gracieus, daarvoor was je te verlegen. Op je wangen had je een blos die er eerder niet was, je lichaam zat onder de rode vlekken. En onze kleine jongen, hij schreide hartverscheurend. Hij zweette in zijn lakens, zijn oogjes opgezet, zijn kaken door zijn eigen kleine vingernagels opengehaald. Hij dronk met woede en gulzigheid, verslikte zich, hield met zijn blik de mijne vast, ontdaan. Ik wist het, het was laat, om het huis rukten de vleermuizen uit, hun uitwerpselen vielen als neerslag op het afdak, veel van mijn melk was in de lakens gevloeid, het was zomer als altijd.

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!