| Eng | Fr |

Nieuws

Werk

Bewerkt/Verfilmd
Vertaald
Bekroond

Auteur
Optredens
Academisch
Audio/Video
Foto's
Contact

Hemelpost

(pdf)


De Morgen, 2 januari 2008

Teerbeminde,

Er is niets veranderd sinds je als vermist werd opgegeven. Nog steeds jaagt de wind door het huis. Men heeft het over de regenwolken die over het land komen. Misschien valt het water, misschien ook niet. Elke windstoot klinkt in onze oren als het razen van vuur. Het put ons uit, mij en het kleintje. Midden in de dag val ik in slaap. Ik droom van kamers die zich openen, gordijnen die van hun roede vallen, schrikbarend zonlicht op de tegelvloeren. Dan word ik verhit wakker, hoop snel opnieuw weer in te slapen.

Je kleine jongen weert zich goed. Hij weet niet van jou af, kent alleen zijn dorst. Als hij mij niet tijdig aantreft zuigt hij op zijn handje, zo driftig dat het lijkt alsof hij het wil opzwelgen. Of hij pakt mijn vel in zijn mond, zuigt blauwe plekken in mijn arm. Hij vindt me met zijn neus, weet in zijn slaap aan welke kant hij me moet zoeken. Hij masseert mijn borst en trekt zijn knieën hoog op, plaatst zijn voeten tegen me aan alsof hij me beklimt. Zijn mond aan me vastgeklonken met die zachte randen van zijn gehemelte, zijn neusvleugels wijd, vecht hij met me alsof ik hem ergens toe heb uitgedaagd. Pas als de melk stuwt wordt hij kalm, en gaat hij over tot een smartelijk, fronsend zuigen. ‘Hij verteert me,’ zeg ik tegen je moeder.

Soms blijft hij zuigen als hij allang voldaan is. Gewoon nog wat met de lippen bewegen om de schijn op te houden. Indutten, vervolgens boos worden omdat ik geruisloos van hem wegga. ‘Maar je slaapt!’ zeg ik, en bij het horen van mijn stem gaan zijn ogen open, is hij ineens klaarwakker omdat ik hem beschuldig. Hij strekt zijn gebalde vuisten hoog boven zijn hoofd, een speekseldraad tussen zijn lip en mijn tepel, kromt zijn ruggengraat, niet alleen naar voor en naar achteren, maar ook opzij, in zijn lendenen beweeglijk als een salamander.

Nu en dan schrik ik van twee peuterhanden op de matras. Ons meisje, dat zo op je lijkt, wil bij me in bed, ze sleept voorwerpen met zich mee die te groot voor haar zijn: je hemd, je laars, je schoudertas. Ze heeft de vlezigheid van pruim of perzik, ruikt naar zand en aarde, heeft vuile nagelranden; ik zet mijn schouder hoog tussen haar en het kleintje. Samen kijken we naar de hoornraaf op zoek naar hagedissen, of naar die vogels in de boomtoppen die ik nooit eerder heb gezien. Ze hebben een kuif van veren en een oranje snavel, soms zijn ze bruin, soms olijfgroen, altijd met een rauwe washuid en een kale nek.

Je moeder haalt de draad tussen haar tong en lippen voor ze hem in de naald stopt. ‘Wat maakt deze kinderen speciaal?’ vraag ik haar. Ze slaat haar ogen op, antwoordt een tijdlang niet. Ons meisje heeft je hemd al als een schut om ons heen geslagen als ze zegt: ‘Dat ze de kinderen zijn van hun vader. Liefdeskinderen, niet meer dan dat. Dat wij allemaal de tijd hebben gekend dat ze er nog niet waren, en ons die tijd nu niet meer kunnen voorstellen.’ Ik denk, mijn teerbeminde, aan toen we aan de bedding van de uitgedroogde rivier stonden. We liepen weg uit de huizen waarin we niet wilden opgroeien en maakten vuur tussen de aloë’s. Uit een gat in de grond spoot plotseling een wolk van vleermuizen omhoog. Ze dwarrelden als vuurwerk door elkaar heen, met honderden opgeschrikt uit hun slaap, zonder het minste geluid.

‘Zie je dat?’ vroeg je, ‘Ondergrondse grotten! Hier wil ik later terugkomen. Onthoud deze plek voor me, wil je? Ik zou het zelf doen, maar ik ben te opgewonden.’

Ik stel me voor dat je daar nu bent, op die plek in de rivierbedding die ik voor je onthield. Dat je daar wacht tot de kinderen groot zijn. Dat je daarom je kleren en je schoudertas tussen de aloë’s hebt achtergelaten. Ik heb nog nooit ijs gezien, maar toch voelt het alsof ik aanhoudend bezig ben ons kleintje uit het ijs omhoog te hakken. Ik schraap en krab, wrik hem los, een beeldschoon, ongeschonden vrieskind waar een adem uit omhoog kringelt, een kristal, een breekbare pop, bijna klaar om naar je toe te komen. En je dochter, zij is je schatbewaarder, ze strijkt met haar handje de vouwen uit je hemd en wrijft je laarzen. Ze kijkt naar hoe je moeder je kapotte, door de zon en het zand verharde kleren verstelt. Niets gaat weer weg zoals het is gekomen, lijkt ze te denken, en ze behoudt de diepste stilte die ik ooit heb gehoord.

Je liefste

Anne Provoost

Print deze pagina... enkel als het niet anders kan!